Deze econoom is een ster en hij zegt dat economie makkelijk is

Bo&Caro gaan elke dag naar een bedrijf. Ze zijn bij aandeelhoudersvergaderingen, productpresentaties of vrijdagmiddagborrels en willen graag weten: wie is hier belangrijk?

Wat: Een discussieavond met de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang in debatcentrum De Balie in Amsterdam.

Wie: Esther-Mirjam Sent - hoogleraar economie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Robert Went – econoom Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, journalist Joris Luyendijk en tweehonderd toeschouwers.

Koreanen zijn famously short-tempered - zijn de gesprekspartners daar al van op de hoogte? Ha-Joon Chang kijkt moderator Joris Luyendijk en de economen Esther-Mirjam Sent en Robert Went tegenover hem provocerend aan. Drie paar vrolijk terugkijkende ogen. Weinig weerstand vanavond. De Zuid-Koreaanse econoom heeft er intussen al zeven interviews opzitten. Zes, dacht hij zelf, maar blijkbaar was hij de tel vandaag ergens kwijtgeraakt.

Economen, wees niet te arrogant

Iedereen wil hem spreken. Normaal gesproken best lastig. Chang doceert ontwikkelingseconomie aan de Universiteit van Cambridge, schrijft artikelen voor The Guardian en schreef de afgelopen jaren daarnaast nog dertien boeken. Maar goed, inmiddels is er een veertiende: ‘Economics. The User’s Guide’. En dat moet gepromoot worden.

Zelf is hij niet bepaald onder de indruk van zijn onmiskenbare sterrenstatus. Is maar goed ook. Economen moeten niet te arrogant worden. “Ze hebben vaak de neiging je wel eens even uit te leggen hoe de wereld in elkaar zit”, zucht Chang. En dat kunnen ze helemaal niet.

Wie beweert dat de economie werkt volgens een aantal modellen en formules, zit ernaast. “Wás het maar een soort natuurkunde. Dan konden we de voorspellingen die we voortdurend gevraagd worden te doen, ook écht uitvoeren. Maar nee, economie is mensenwerk. Gebaseerd op beslissingen die ménsen nemen.”

Luie Grieken, ijverige Nederlanders

En die mensen mogen zich wel eens wat meer in de materie gaan verdiepen. Sterker nog: het is hun democratische plicht, vindt hij. “Het zou geen specialistenonderwerp moeten zijn. Nu wordt vaak gedacht: ‘Het is saai en ingewikkeld, laat ik me hier maar buiten houden.’” Slaat nergens op, zegt Chang. “De economie is het enige onderwerp waarover we géén mening lijken te hebben. Dat moet veranderen.” Maar laat het dan wel een gefundeerde mening zijn. Een die niet op vooroordelen is gebaseerd. Chang heeft alles alvast even voor je op een rijtje gezet, in zijn ‘economiegebruiksaanwijzing’.

Een voorbeeld: het beeld van die hardwerkende, zuinige, puriteinse Nederlander. En dat van de luie Griek. Klopt dus helemaal niets van, zegt Chang. Goed, vanaf 1870 tot in de jaren twintig werkten de Nederlanders, van alle hedendaagse rijke landen, de meeste uren op een dag. In de jaren zestig werd dat minder en degradeerden we tot het land met het minste aantal jaarlijks gewerkte uren. De Grieken, die tijdens de crisis meer dan eens voor lui werden versleten, werken 1,4 tot 1,5 keer langer dan wij. Armoede wordt vaak gezien als gevolg van luiheid. Mensen in armere landen moeten dan haast wel lui zijn, wordt geredeneerd. Maar hun productiviteit is gewoon lager. En dat ligt vaak dan weer aan de infrastructuur, kapitaalgoederen, technologie.

Chang kijkt het drietal aan tafel triomfantelijk aan. Zo. Heeft hij nog een laatste zin waarmee hij zijn publiek naar huis wil sturen, vraagt Luyendijk dan. “Ja!” Een brede lach. “Koop mijn boek.”