Dit kost de Britten banen

Multinationals in het Verenigd Koninkrijk maken zich grote zorgen over een ‘Brexit’, een mogelijk vertrek van het land uit de EU.

Nissan, Virgin, Goldman Sachs, Unilever, Shell, McDonald’s, en deze week nog Siemens. De rij topmannen van multinationals die de Britten waarschuwt hun lidmaatschap van de Europese Unie niet te verkwanselen, groeit nog altijd. Hoe luider eurosceptici, hoe vaker de Conservatieven praten over een referendum, des te groter wordt het tegengeluid.

„Er zijn duidelijke voordelen om deel uit te maken van de Europese Unie. Ik zou me zorgen maken voor de gevolgen van een uittreding voor de Britse werkgelegenheid”, zei Jill McDonald, directeur West-Europa van McDonald’s tegen de Daily Mail.

Dat was nog voordat de nederlaag van David Cameron over de benoeming van Jean-Claude Juncker (tot nieuwe voorzitter van de Europese Commissie) de kans op een Brexit, een Britse uittreding uit de EU, vergrootte. Deze week hield Jürgen Maier van Siemens volgens de Financial Times collega’s op een congres voor, dat zij werknemers moeten overtuigen dat een Brexit onverstandig is.

De kern van het argument voor Brexit, zoals door onder meer de UK Independence Party en de lobbygroep Business of Britain wordt geuit, is dat het EU-lidmaatschap Britse bedrijven schaadt. Het midden- en kleinbedrijf zou aan teveel overbodige Brusselse regels moeten voldoen, Europa zou een krimpende markt zijn, en zonder of met een flexibelere relatie met de EU zou het Verenigd Koninkrijk al lang lucratieve bilaterale handelscontracten met opkomende markten hebben gesloten.

UKIP gaat daarin het verst en pleit voor het verlaten van de EU. „We willen goede buren zijn door met Europa te handelen, maar we willen niet door Europa worden geregeerd”, vindt partijleider Nigel Farage. Volgens hem wordt het Verenigd Koninkrijk na een Brexit juist aantrekkelijker voor buitenlandse investeerders, vertelde hij vorige maand. Hij wuifde de zorgen van multinationals weg: „Ze negeren het feit dat men in Europa onze apparaten nog steeds wil kopen. Dat houdt niet opeens op.”

Daar denken die bedrijven duidelijk anders over. Virgin-topman Richard Branson was de eerste die waarschuwde, in januari vorig jaar vlak voor premier David Cameron zijn toespraak over het Britse EU-lidmaatschap hield. Branson schreef op zijn blog: „Het Verenigd Koninkrijk mag geen perifeer land worden in Europa. Dat zal de langetermijnkansen van Britse bedrijven schaden.”

Enkele maanden later herhaalde Branson zijn waarschuwing samen met twintig anderen, onder wie Martin Sorrell van advertentiebureau WPP, in een open brief aan eurosceptische Lagerhuisleden: „De economische casus is overweldigend: lidmaatschap [van de EU] is naar schatting tussen de 31 miljard en 92 miljard pond per jaar aan inkomensgroei waard voor het land, of tussen de 1.200 tot 3.500 pond [1.500 tot 4.400 euro] per huishouden.”

Isolement

De bazen van Airbus (12.000 werknemers en tienduizenden bij aanvoerbedrijven in het Verenigd Koninkrijk) volgde, pakketbezorger DHL Express UK (37.000 werknemers), Tata Steel (18.500). De directeur van Ford UK (15.000 werknemers), zei tegen The Daily Telegraph dat hij „de regering ten sterkste adviseerde” de EU niet te verlaten. En topman Carlos Ghosn van Nissan (6.500 werknemers) zei hardop dat de Japanse autofabrikant zijn „strategie en investeringen” zal heroverwegen bij een Brexit.

Paul Polman van Unilever zei in januari dat het voor het Verenigd Koninkrijk „beter was aan tafel te zitten dan er tegenaan te schoppen”. Peter Brabeck-Letmathe van Nestlé (8.000 werknemers) waarschuwde dat een Brexit „het Verenigd Koninkrijk zal isoleren”. „Alle bedrijven worden gedwongen opnieuw na te denken over investeringen. Zonder twijfel zal dat gevolgen hebben voor de Britse mogelijkheden Europese markten van goederen te voorzien.”

Begin maart zei Shell-topman Ben van Beurden dat, hoewel het concern gewend is aan onzekere politieke en economische gebieden, „stabiliteit en zekerheid” van groot belang zijn: „Dat is de belangrijkste reden waarom we er voorstander van zijn dat de Britten hun lang gevestigde plek in het hart van de EU behouden.”

De meeste internationale bedrijven zeggen zich „absoluut niet” met de Britse politiek te willen bemoeien. Achter het uiten van de zorgen zat volgens woordvoerders „geen strategie, al is dit een belangrijke kwestie”.

Maar, zegt Petros Fassoulas van de pro-Europese lobbygroep Euromove: „Het feit dat ze zich uitspreken, weerspiegelt dat ze zich in toenemende mate zorgen maken. De laatste tien jaar was er een soort partijbrede consensus in het Lagerhuis dat het lidmaatschap van de EU voordelig was. Alleen zeer rechtse eurosceptici hadden het over een Brexit. Het was niet nodig je uit te spreken vóór de EU.”

Hoewel Cameron zelf geen Brexit wil en pleit voor de hervorming van de EU, meent Fassoulas dat de premier „de mogelijkheid van een Brexit tot discussiepunt heeft gemaakt”. „De stemming bij de Conservatieven is dusdanig dat ministers tussen neus en lippen door zeggen dat ze voor uittreding zijn. Gelukkig dat het bedrijfsleven hier tegenwicht aanbiedt.”

The City

Londen „is een brug naar Europa voor veel financiële instellingen en bedrijven. Hun vestiging en groei in het Verenigd Koninkrijk is geen toeval, maar hangt samen met het lidmaatschap van de grootste interne markt ter wereld”, schreef Daniel Pinto van zakenbank JPMorgan aan de Britse regering.

Goldman Sachs-topmannen Richard Gnodde en Michael Sherwood waren in februari in een opiniestuk in The Times nog stelliger: „Londen is het logische centrum [van de kapitaalmarkt], maar dat kan verloren gaan als het Verenigd Koninkrijk de EU verlaat.” Sherwood herhaalde dat een paar maanden geleden nog eens: „Alle Europese bedrijven zouden bliksemsnel weg zijn in het geval van een Brexit.”