‘Curiosity’ is wonderbaarlijk

Thomas Grünfeld, Misfit (St. Bernhard / Sheep), 1994. Collectie Andreas Hecker Foto De Appel

Interesse voor wat bestaat en zou kúnnen bestaan. Ontvankelijk zijn voor doodgewone dingen. Gebaande paden links laten liggen. De mooiste omschrijvingen van het begrip nieuwsgierigheid komen van de Franse filosoof Michel Foucault. Het is niet voor niets dat de Britse tentoonstellingsmaker en schrijver Brian Dillon Foucault aanhaalt in de catalogus bij de wonderbaarlijk sprankelende tentoonstelling Curiosity. De expositie in de Appel wasemt aan alle kanten de nieuwsgierigheid uit waarmee Dillon en de makers die hij bijeen heeft gebracht, zijn begiftigd.

Die makers komen uit vele tijden, landen en vakgebieden. Hun werk loopt uiteen van gefilmde of getekende fantasieën, foto’s van rituele Afrikaanse maskers, opgezette fabeldieren, houtmonsters, een collectie stenen waarin je landschappen kunt onderscheiden, en nog veel meer. Kunstwerken van grootheden als Matt Mullican of Tacita Dean staan naast het studiemateriaal van botanisten, naturalisten, schatgravers en antropologen. Daarmee herinnert de tentoonstelling vanzelfsprekend aan de wonderkamer, die romantische vergaarbak van kennis en kunst, oud en nieuw waarmee rijke burgers en vorsten vroeger hun belangstelling demonstreerden. Door de sobere inrichting in de Appel wordt de aandacht dubbel zo hard getrokken naar de voorwerpen zelf. En dat werkt alleen maar goed.

De negentiende-eeuwse vader en zoon Blaschka uit Dresden verbluffen met hun glazen modellen van zeediertjes. De in 1985 gestorven Britse Alfie West blijkt niet alleen een razendsnelle fietser te zijn geweest, maar ook een virtuoze haarsplitser. Met de enkele mensenhaar die West versneed tot zeventien afzonderlijke ijle lijnen, maakte hij schitterende kunstwerkjes die zo gedetailleerd zijn dat je zou willen dat je een vergrootglas in je hand had in plaats van een pen. De Tsjechische Miroslav Tichý daarentegen richt zich juist op het ondefinieerbare met zijn in het heetst van de Koude Oorlog gemaakte, wazige zwart-witfoto’s van onbekende vrouwen op onbekende straten. Tichý maakte zijn portretten met een zelfgefabriceerde camera van karton en glas, een soort onherkenbare schoenendoos. Die verborgen camera zorgt voor een argeloosheid in de geportretteerde vrouwen die even puur is als geheimzinnig.

Het is alsof de luiken in je hoofd opengaan en een stippellijn wordt uitgelegd tussen nu en lang geleden. De negentiende-eeuwse Britse naturalist Philip Henry Gosse legt in zijn litho’s een wulps onderzeeleven vast, een leven dat in vorm vaag doet denken aan de legende van Loch Ness, waarover Gerard Byrne een atmosferische film toont. De Amerikaanse kunstenaar Nina Katchadourian verandert zichzelf op een benauwd vliegtuig-wc’tje in een vijftiende-eeuwse Vlaamse schone. En Corinne May Botz trekt met haar foto’s de lijn terug naar de in miniatuur nagebouwde plaatsen delict die in 1950 werden gemaakt door een criminoloog. Waarom de dame uit Baltimore deze notendoppen maakte, is net zo onverklaarbaar als de vraag waarom de fotografe van nu deze notendoppen fotografeert.

Dillons Curiosity is een feest van be- en verwondering. In de Appel komt bovenaardse schoonheid regelrecht uit de natuur. En de kunst is net echt – ook als ze onecht is.