Boerkaverbod voor ‘recht op samen leven’

Argumentatie van Europees Hof ten gunste van Franse boerkaverbod biedt ook tegenstanders munitie

Een boerkaverbod voor openbare ruimtes is niet in strijd met het recht op privacy, de gewetens- en godsdienstvrijheid of het verbod op discriminatie, zo heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gisteren bepaald. Maar de argumentatie van dit vonnis biedt ook tegenstanders van zo’n verbod nieuwe munitie.

Argumenten dat een boerkaverbod gerechtvaardigd is met het oog op de openbare veiligheid of de gelijkwaardigheid van man en vrouw, verwierp het Hof in Straatsburg. Een Franse vrouw, in Pakistan geboren, had beroep aangetekend tegen de wet op gezichtsbedekkende kleding die in oktober 2010 in Frankrijk is aangenomen. Het belang van de zaak blijkt uit het feit dat hij werd behandeld door de Grote Kamer van het Hof, die alleen voor buitengewone zaken en intern beroep bijeenkomt.

Een duidelijke meerderheid van de zeventien rechters vond het Franse boerkaverbod gerechtvaardigd omdat „de barrière die tegen anderen wordt opgetrokken met een sluier die het gezicht verbergt, door de […] staat wordt gezien als een inbreuk op het recht van anderen om in een ruimte voor socialisatie te leven die het samenleven makkelijker maakt”.

Het Hof accepteerde het argument van de advocaten van de Franse regering dat „het gezicht een belangrijke rol speelt in sociale interactie. Het heeft begrip voor de opvatting dat individuen die aanwezig zijn op plaatsen die openstaan voor iedereen, niet willen zien dat zich daar gewoontes of gedrag ontwikkelt die fundamenteel de mogelijkheid in twijfel trekken van open interpersoonlijke relaties, die [...] een onontbeerlijk element vormen in het gemeenschapsleven binnen de samenleving”.

Een land heeft daarbij veel ruimte om zelf in te vullen hoe het rechten en plichten van dit samenleven in de publieke ruimte wil invullen, stelden de rechters.

Twee vrouwelijke rechters, uit Duitsland en Zweden, zijn het oneens met deze meerderheidsbeslissing. Zij verwerpen de gedachte dat het dragen van gezichtsbedekkende kleding een gevaar is voor de sociale samenhang. „Mensen kunnen socialiseren zonder dat ze elkaar in de ogen kijken”, schrijven ze in hun minderheidsopinie. Bovendien claimen zij „een recht niet te communiceren [...] en een outsider te zijn”. Ze vinden het concept van een ‘recht op samen leven’ te vaag. Een algemeen boerkaverbod is een onevenredig harde maatregel om zo’n vaag omschreven idee te beschermen, stellen deze rechters.

In het meerderheidsvonnis staat dat de Franse staat onvoldoende heeft aangetoond dat een boerkaverbod nodig zou zijn voor de openbare veiligheid. Bovendien kun je niet aanvoeren dat een dergelijk verbod bedoeld is om de gelijkwaardigheid van man en vrouw te verdedigen, als de betrokken vrouw het dragen van gezichtsbedekking juist ziet als een teken van emancipatie en zelfstandigheid, zoals in deze zaak, zei het Hof.