Zware kritiek op functioneren Europese diplomatieke dienst

De organisatie van EU-buitenlandchef Ashton is log en niet effectief, meent de Europese Rekenkamer.

De Europese diplomatieke dienst, die de afgelopen jaren onder leiding stond van de Britse barones Catherine Ashton, heeft zware kritiek gekregen van de Europese Rekenkamer. In een gisteren verschenen rapport noemt de Rekenkamer de sinds 2011 operationele dienst topzwaar, inflexibel en slecht toegerust op buitenlands-politieke crises.

De diplomatieke dienst vindt zijn oorsprong in het Lissabon-verdrag (2009), dat een coherenter EU-buitenlandbeleid tot doel had. De nationale ministeries van Buitenlandse Zaken, het secretariaat van de Raad van Ministers en de Europese Commissie moesten nauw gaan samenwerken. Daartoe werd de zogeheten Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) in het leven geroepen. Ashton moest zowel namens de lidstaten als namens de Commissie gaan optreden.

Maar deze opzet is „complexer dan de structuur die zij vervangt”, schrijft de Rekenkamer. De „topzware” EDEO heeft „twee keer zoveel hoge managers als haar voorgangers” . Voor het echte werk is dan weer te weinig personeel: het ‘crisisplatform’ van de dienst kan maar „twee [buitenlands-politieke] crises tegelijk” aan. En wie in Brussel vraagt om een briefing van de EDEO, moet daar dagen op wachten omdat allerlei functionarissen er hun zegje over moeten doen.

Volgens de Rekenkamer komen de problemen deels door de „gehaaste” voorbereiding van de EDEO en door onderfinanciering: de nieuwe dienst moest „budgetneutraal” zijn. Maar ook Ashton krijgt kritiek. Zij „koos ervoor” om kandidaten voor EU-ambassadeursposten persoonlijk te interviewen, een „langdurig” proces.

Een derde van de 935 diplomaten van de dienst is afkomstig uit de lidstaten. Zij rouleren dikwijls snel, wat volgens de Rekenkamer een „risico” voor de „continuïteit” betekent. In een reactie zegt de EDEO dat dit juist een voordeel is: de relaties met nationale ministeries worden versterkt.