Twaalf sorry’s van Dekker, niet één van Remkes

Oud-minister Sybilla Dekker verontschuldigt zich voor wat er bij corporaties misging. Haar voorganger Johan Remkes heeft nergens spijt van.

Twaalf keer verontschuldigde Sybilla Dekker zich gisteren tijdens de parlementaire enquête woningcorporaties. De commissie had het bijgehouden. „We hebben zitten turven hoe vaak u heeft gezegd dat u zaken achteraf graag anders had aangepakt”, zei Tweede Kamerlid Farshad Bashir (SP). Want Dekker vertelde gisteren vooral over de dingen die zij als minister van Volkshuisvesting (2003-2006) níét had gedaan.

Aanscherpen van toezicht, inperken van nevenactiviteiten, beteugelen van speculatie met derivaten, exorbitante salarissen en andere zelfverrijking had Dekker allemaal laten liggen. „Dat hadden we eerder moeten doen”, zei ze herhaaldelijk. Of: „Daar hadden we beter op moeten zitten.”

Dekker (VVD) werd in 2003 minister tot zij in 2006 aftrad vanwege de Schipholbrand. In die periode had ze zich vooral beziggehouden met de liberalisering van huren. De corporaties had ze vrijwel ongemoeid gelaten. Dekker ging niet verder met de aanpak van geldstromen bij corporaties, terwijl haar kortstondige voorganger Henk Kamp dat had aangeraden. Een wet die de bewindspersoon voor Kamp, staatssecretaris Johan Remkes, had voorbereid, zette ze niet door naar de Tweede Kamer.

Er was veel vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van de sector. Dekker deed wel „een oproep voor de professionalisering van intern toezicht” maar maakte geen wetgeving.

Had ze niet minder haar oren moeten laten hangen naar corporatiekoepel Aedes, vroeg Kamerlid Ed Groot (PvdA). „Het is iets wat niet meer in deze tijd past, maar in die tijd paste het”, verontschuldigde Dekker zich.

Zij sloot daarmee aan bij het beeld wat andere getuigen in de verhoren ook hebben geschetst: tijdens de Paarse kabinetten en de kabinetten-Balkenende werd zoveel mogelijk aan de markt over gelaten met zo min mogelijk inmenging en toezicht van de overheid. Zeker niet op het niveau van de bewindspersoon. Dekker: „Ik zou als minister heel ongelukkig zijn geweest als de nevenactiviteiten van 361 corporaties op mijn bureau zouden liggen.”

Waar Dekker haar eigen fouten toegaf, ontkende Johan Remkes (VVD) dat tijdens zijn bewind van 1998 tot 2002 de kiem was gelegd voor wat er later mis ging in de sector. „Er zijn toen dingen toegestaan waar ik nu weer exact hetzelfde mee zou doen.”

Dat er na hem geen wetgeving kwam die de sector aan banden legde, weet hij aan „veel verkiezingen”. Geen bewindspersoon maakte de afgelopen periode een termijn van vier jaar vol. Maar volgens hem hadden wetten ook weinig uitgemaakt. „Ik heb niet de illusie dat wet- en regelgeving in alle opzichten slecht gedrag kan voorkomen. Op een gegeven ogenblik groeit er in een sector een cultuur waarin incidenten mogelijk worden”, verklaarde Remkes.