School heeft weer geld, maar is er niet beter aan toe

De financiën van middelbare scholen zijn de laatste jaren wat verbeterd. Maar het ene schoolbestuur gaat beter met zijn geld om dan het andere.

De financiële situatie van schoolbesturen in het voortgezet onderwijs is de afgelopen vier jaar verbeterd, maar er zijn nog steeds scholen die forse problemen hebben. Dat blijkt uit een rapport van de Algemene Rekenkamer dat gisteren is gepubliceerd.

Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) had de Rekenkamer begin dit jaar gevraagd uit te zoeken of het voortgezet onderwijs in Nederland „toereikend gefinancierd” is. Die vraag wil de Rekenkamer niet beantwoorden omdat dit „een politieke afweging” zou zijn. Zo’n oordeel is aan de Tweede Kamer, aldus de Rekenkamer. Zij volstaat met het op een rij zetten van de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen jaren.

Vanaf 2006 ging het bergafwaarts met met de rentabiliteit, liquiditeit, solvabiliteit van de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs. Het dieptepunt werd bereikt in 2010, toen veel scholen financiële problemen hadden, aldus de Rekenkamer. „Sindsdien laten de financiën een herstel zien, maar deze ogenschijnlijk gunstige ontwikkeling verdient nuancering. Het aantal leraren is afgenomen en de gemiddelde klassengrootte is toegenomen.”

Op sommige scholen is de financiële situatie nog steeds zorgwekkend. De oorzaken daarvan zijn niet eenduidig. Geografische ligging, denominatie en krimp spelen een rol bij het veroorzaken van de problemen. Maar de gevolgen van bijvoorbeeld een krimpend aantal leerlingen zijn niet overal hetzelfde. Sommige schoolbesturen gaan daar beter mee om dan anderen.

Bij het Herfstakkoord trokken het kabinet en de oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP vorig jaar 550 miljoen euro extra uit voor het onderwijs. Een groot deel daarvan is bij het voortgezet onderwijs terechtgekomen. Dat was nodig omdat de loonkosten op middelbare scholen harder gestegen zijn dan was begroot. Dat komt door salarisstijgingen in het kader van cao-afspraken en arbeidstijdverkorting voor oudere leraren.

De Rekenkamer adviseert staatssecretaris Dekker de systematiek te vereenvoudigen waarmee scholen worden bekostigd en „perverse prikkels” te verminderen. Zo krijgt een schoolbestuur met veel kleine scholen een relatief hoge vergoeding per leerling, terwijl een even groot schoolbestuur met een of enkele grote scholen een relatief lage vergoeding krijgt. Dat zorgt ervoor dat het voor besturen aantrekkelijk is om zoveel mogelijk verschillende scholen in stand te houden.

Staatssecretaris Dekker onderschrijft de conclusie van de Rekenkamer dat het voortgezet onderwijs er de afgelopen vijftien jaar veel geld heeft bij gekregen, laat hij weten in een reactie. „Momenteel kunnen verreweg de meeste scholen goed uit de voeten met het beschikbare budget. Met de investeringen van dit kabinet in het voortgezet onderwijs zal dit de komende jaren naar verwachting nog verder verbeteren.”