Kom, dan laat ik je de ergste tent zien

De jongste natie van de wereld is er slecht aan toe. En het wordt alleen maar erger. „Tegen het einde van het jaar is het hier net zo erg als in Ethiopië in de vorige eeuw.”

Diarree, ondervoeding en malaria zijn de belangrijkste doodsoorzaken in het vluchtelingenkamp. Er wonen 45.000 ontheemden. Foto Reuters

correspondent afrika

De hagelwitte ziekenhuistenten staan in een poel van modder, stront en afval. Latrines lopen over. En in een meer dat is gevuld met het afvalwater van buitenlandse hulpverleners plonzen kinderen en komen moeders drinkwater halen. In de tenten klinkt het gekrijs van kinderen en het gehuil van moeders.

Op kaplaarzen geeft Nora Echaibi, hoofd van het ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen, een rondleiding. Ziekenhuis, dat zijn hier een paar tenten. In de eerste wordt een uitgemergeld kindje in een wasteil gewogen: acht maanden oud met een gewicht van vier kilo.

In de volgende liggen jonge mannen met geamputeerde ledematen. Het zijn slachtoffers van de bittere, in december uitgebroken machtsstrijd tussen president Salva Kirr en zijn voormalige vicepresident (nu rebellenleider) Riëk Machar. Nora Echaibi waadt door de modder en zegt: „En nu gaan we naar de ergste tent.”

„Dat kindje haalt het einde van de dag niet”, wijst ze naar een van de tientallen moeders die hun baby’s aan hun lichamen drukken. Een huilen zonder geluid schokt de ribben van zijn kleine borstkas: longontsteking. Naast diarree, ondervoeding en malaria de belangrijkste doodsoorzaak in dit kamp van 45.000 ontheemden. „15 procent van de kinderen in het kamp is zwaar ondervoed. Het is een noodsituatie.”

Een moeder begint te huilen. Haar kind is zojuist gestorven. Nora Echaibi probeert de vrouw te troosten. Dit is de vierde dode „in de ergste tent”, en het is pas twee uur in de middag. „Het wordt nog erger vandaag”, voorspelt ze.

Toby Lanzer, de humanitaire coördinator van de VN, spreekt in de hoofdstad Juba van een „bijna catastrofe” in Zuid-Soedan. „Ik zie geen enkel licht aan het einde van de tunnel. Het regenseizoen is begonnen. Vrijwel alle wegen zijn onverhard en het wordt steeds moeilijker om door de modder slachtoffers te bereiken. Steden en markten zijn vernietigd door de strijd en handelaren gevlucht. In grote delen van het land konden bewoners niets planten door de gewelddadigheden. De schade is al aangericht, ook als nu de strijd geheel zou stoppen.”

Waarna hij superlatieven inzet om de lauwe reactie van donorlanden te bestrijden: „Tegen het einde van het jaar zal het hier net zo erg zijn als tijdens de grote hongersnood in Ethiopië, in de jaren tachtig. Er heerst een gigantische teleurstelling over wat zich afspeelt in de jongste natie van de wereld en dat frustreert me heel erg.”

Van de elf miljoen Zuid-Soedanezen hebben er vier miljoen hulp nodig, meer dan een miljoen zijn in het land zelf ontheemd, 400.000 trokken naar buurlanden. Tienduizenden burgers zochten bescherming in kampen van de Verenigde Naties, die waren bedoeld voor huisvesting van vredestroepen en niet zijn geëquipeerd om hongerige en zieke mensenmassa’s op te vangen.

Wat begon als een machtsstrijd binnen de regeringspartij, de Soedanese Volksbevrijdingsbeweging, ontaardde in een wrede stammenstrijd. President Kiir is een Dinka, Riëk Machar een Nuer. In de vier secties van het kamp bij Bentiu leven de Dinka’s en de Nuer gescheiden. Bentiu, dat sinds december twee keer door rebellen werd ingenomen en nu weer in regeringshanden is, ligt in Nuergebied.

Nyakuoth, moeder van zes kinderen, heeft de binnengestroomde modder van afgelopen nacht uit haar schamele onderkomen geschept en begint op een vuurtje van riet gierstpap te koken. „De Dinka’s vernietigden mijn huis in Bentiu. De Dinka’s vermoorden ons.” Ze, dat zijn de regeringssoldaten. Nyakuoth durft niet buiten het kamp te komen om brandhout te sprokkelen. „Daar worden we vermoord of ze doen me dat heel verschrikkelijke aan.” Ze bedoelt verkrachting, een taboe waarover niet openlijk wordt gesproken.

James Michael, een jonge man, doet in alle openheid zijn behoeften, in dit deel van het kamp ontbreken toiletten. „Altijd regen, altijd overstromingen. Ik wilde dat ik een stuk plastic zeil had om me ’s nachts te beschermen.”

De hele dag doet hij niets en hij verveelt zich. „Ik zou zo graag weer naar school willen.” Zijn vader strandde in een VN-kamp in een ander deel van het land, zijn moeder verloor hij tijdens de gevechten. Hij stuurt zijn allerkleinste zusje om brandhout te gaan halen. „Ze loopt minder gevaar dat het heel verschrikkelijke gebeurt. Je moet heel moedig zijn om buiten het kamp te gaan.”

Naast het hok in het ziekenhuis, waar de eerste vermoedelijke cholerapatiënt afgezonderd ligt, is het mortuarium. Nora Echaibi wast de kinderlijkjes, haalt de naald van het infuus uit de armpjes en wikkelt de lichamen in dekens en witte plastic zakken. In het afgelopen uur overleed het vijfde kind van de dag. Het is drie uur in de middag als de terreinwagen met de moeders en hun witte pakketjes zich door de modder een weg baant naar buiten het kamp, voor de begrafenis.

De vrouwen lopen door het ruisende hoge gras naar de al gegraven gaten. Ze zoeken naar niet met regenwater gevulde kuilen, leggen de lijkjes op de natte grond en maken een kruis van rietstengels. Een snik, een gebed en dan scheppen mannen de vette aarde op de plastic zakken. Iets verderop houden vier VN-soldaten de wacht, want ook voor een begrafenis is het niet veilig buiten het kamp.