Geen paniek

Langzaam drong het tot ons door dat onze favoriete ober niet meer werkzaam was in het hotel waar wij regelmatig logeren. „Ik heb hem nou al twee dagen niet gezien”, zei mijn vrouw ongerust. „Hij zal vrij hebben”, zei ik. Ze schudde het hoofd. „Het is geen man die in de vakantieperiode zomaar vrij neemt.” Daar zat wat in.

We wisten niet eens hoe hij heette, maar toch waren we in zekere zin aan hem gehecht geraakt. Bij het ontbijt en het avondeten kon hij je zo enthousiast begroeten, alsof hij blij was je eindelijk weer eens te zien. Er was geen sprake van een voorkeursbehandeling, want hij deed dat bij alle gasten die hem in het vizier kwamen. Zodra ze de eetzaal betraden, liep hij op hen af en leidde hij hen beleefd naar de tafel die volgens hem bij uitstek geschikt was.

Hij had een lang, schraal lichaam, ietwat gebogen in de schouders. Zijn leeftijd viel moeilijk te schatten, iets tussen de veertig en de vijftig. Jong was hij nooit geweest, daarvoor zat er te veel plichtsbesef in zijn knoken, maar verouderen deed hij evenmin. Misschien had hij kind noch kraai; dat helpt in de strijd tegen de jaren. Ik heb hem daar nooit naar gevraagd, dat doe je niet tussen de soep en de pudding, het zou hem maar in verlegenheid hebben gebracht.

Vooral mijn vrouw had een groot zwak voor hem, maar toch wist ik intuïtief dat ik me nergens zorgen over hoefde te maken. Zo’n man was hij niet. Het terughoudend charmeren van zijn gasten hoorde bij het vak, zoals hij dat in de goede oude dagen van de Nederlandse horeca geleerd had.

Hun goede verstandhouding was begonnen toen zij een onderdeel was kwijtgeraakt van een fototoestel, dat zij tijdens een familiediner voor haar verjaardag cadeau had gekregen. Zoiets overkomt mijn vrouw – over wie ik verder geen kwaad woord wil zeggen, althans niet op deze plek – wel vaker. Zij stelt met onwrikbaar fatalisme vast dat zij iets verloren is, en zij haalt vervolgens alles overhoop wat er overhoop te halen valt om ten slotte tot de ontdekking te komen dat het zoekgeraakte voorwerp zich nog altijd bevindt op de plek waar het altijd al lag – alleen nu onder een of ander doekje, boekje of broekje.

„Geen paniek!”, roep ik altijd tijdens zulke zoektochten, „je kúnt het niet kwijt zijn.” Ik weet dat het dé manier is om de paniek juist te vergroten, maar ik kan het niet laten. Nee, het is geen sadisme, het is eerder een ongeduldig voorschot nemen op het gelijk dat ik zal krijgen.

Zo ging het ook met dat fototoestel. Zij had het betreffende onderdeel meegenomen naar de hotelkamer, waar ze het later ook terugvond. Toen ze dat aan de ober meldde, vertelde hij haar trouwhartig dat hij, op zijn knieën gezeten, na zijn dienst al het keukenafval zorgvuldig had uitgekamd. Mijn vrouw had hem de vermissing zó overtuigend beschreven, dat hij voetstoots had aangenomen onbewust medeplichtig te zijn. Voortaan weet hij dat hij beter „Geen paniek!” kan roepen als ze weer een beroep op hem doet.

Maar zal het er nog eens van komen? We schoten een ober aan met de vraag waar zijn collega was gebleven. Die was toch niet ziek, of iets nog veel ergers, geworden? „Nee, hij heeft tot onze spijt een jaartje vrijaf genomen”, antwoordde de man. Een jaartje? We stonden paf. Kwam hij nog terug? „Dat weten we niet.”

Mijn vrouw keek me droevig aan en zei: „Misschien zijn we hem wel kwijt.”