Een uitvaartbedrijf is toch geen cultureel erfgoed

Ook een diamantair en een hennatatoeëerder zoeken de UNESCO op. Zo commercialiseert het cultureel erfgoed, vindt Peter Jan Margry.

illustratie angel boligan

Na lang delibereren presenteerde UNESCO, de organisatie van de Verenigde Naties voor cultuur en erfgoed, in 2003 een geheel nieuw verdrag dat de bescherming van het immateriële erfgoed in de wereld tot doel heeft. Met dit verdrag beoogt UNESCO het levende erfgoed – rituelen, praktijken, expressies, ambachten – te beschermen en uit te dragen. Nederland heeft het verdrag in 2012 geratificeerd.

In theorie streeft UNESCO hiermee een nobel doel na. Twee jaar verdragservaring maakt echter duidelijk hoe problematisch het idee van gereglementeerde bescherming van immaterieel ‘erfgoed’ in feite is. Het uitgangspunt kent een groot probleem: de ideële gedachte om levende cultuuruitingen te willen beschermen is praktisch gezien onmogelijk. Het leidt tot tegenstrijdige en, gezien de geest van het verdrag, juist tot ongewenste effecten, zoals uniformering en fossilisering. Effecten die veel groter zijn dan gedacht en de cultuur van het dagelijks leven in onze samenleving beïnvloeden. Het beleid moet daarom over een andere boeg.

Wat is er dan aan de hand? Staten die het UNESCO-verdrag hebben geratificeerd, leggen in de regel een nationale ‘inventaris’ aan van hun immateriële erfgoed en kunnen regels opstellen ter bescherming van de praktijken die op die lijst komen te staan. Het Ministerie van OCW heeft deze taak aan het Nederlands Centrum voor Volkskunde en Immaterieel Erfgoed (VIE) gedelegeerd. Een daaraan verbonden nationale ‘Toetsingscommissie’ weegt nog eens de aanvragen uit de samenleving.

In de praktijk blijkt die inventaris echter een begeerd kwalificatie-instrument te zijn dat commercieel en cultureel kapitaal vertegenwoordigt. De uitvoering van het verdrag ontspoort omdat op willekeurige wijze erfgoed voor de inventaris wordt aangemeld. Dan blijkt dat het volstrekt onduidelijk is wie de levende cultuur van de natie bezit. Dat is dan vooral degene die het eerst ‘zijn’ of ‘haar’ cultuuruiting claimt. Een zzp’er die henna-handtattoes zet, vertegenwoordigt nu de ‘Nederlandse’ hennacultuur, terwijl een funeraire organisatie zich de rooms-katholieke viering van Allerzielen toeeigent. Ondertussen heeft Gassan Diamonds het diamantbewerkersvak opgeëist, terwijl de Nederlandse bloemencorso’s de handen ineen hebben geslagen in de hoop met hun aanvraag een succesvolle claim voor UNESCO’s Internationale lijst te mogen doen, het paradepaardje waar Nederland nu ook voordrachten voor mag doen.

Het meest problematische is wel dat Nederland strikte regels hanteert waaraan te plaatsen ‘elementen’ van levende cultuur moeten voldoen. De voorwaarden om historiserende zelfbeschrijvingen te fabriceren en vooral onnodige beschermingsplannen te moeten opstellen leiden tot kuiperij en dwangbuizerij. In Nederland bestaat helemaal geen noodzaak tot ‘bescherming’. Nergens wordt duidelijk gemaakt wat de meerwaarde van het huidige overheidsingrijpen is. De praktijk is dat vooral nieuwe problemen worden gecreëerd.

Het feest dat aanvankelijk voor de internationale showcase lijst was voorzien, het Sinterklaasfeest, is door toedoen van diezelfde uitvoeringspraktijk zozeer diskrediet geraakt dat het daar niet snel meer van zal komen. Het is nu het verdrag dat het feest bedreigt. Het ligt nog vers in het geheugen hoe UN-rapporteur Verene Sheperd, wetende dat het Sinterklaasdossier voor de inventaris in voorbereiding was, al a priori riep dat het gehele feest vanwege een racistisch karakter maar opgeheven moest worden. Ander voorbeeld, eind 2013 werd de viering van Koningsdag voorgedragen en officieel op de inventaris geplaatst, terwijl dat feest toen nog nooit was gevierd. Nog sterker, de beschrijving van dat feest, de praktijk zoals het conform het verdrag dan ‘geborgd’ of beschermd moet gaan worden, was beschreven op basis van de Koninginnedagen van de voorafgaande jaren. En wat gebeurde: na de eerste Koningsdag kondigde Willem-Alexander aan het feest geheel anders te gaan vieren. Wordt de Koning nu gedwongen zijn verjaardag weer zoals zijn moeder te gaan vieren?

Twee jaar praktijk laat zien dat dit verdrag in Nederland vooral frictie oproept. In de selectieve en voorwaardelijke aanpak die de uitvoering nu karakteriseert, speelt ook een willekeur van bovenaf een rol, die tot eenzijdige claims op onze gemeenschappelijk cultuur van het dagelijks leven zal oproepen.

Daar is welke vorm van cultuur dan ook niet mee gediend. In plaats van cultuurpolitiek te bedrijven en ons voor te schrijven hoe levende cultuur moet worden uitgevoerd, dient de overheid de handen van onze cultuur af te houden. Het is noodzakelijk dat de regering zich herbezint op haar positie die het met de Nederlandse inventaris wil innemen.