Universeel drama rond een bal

Voetbal neemt de plaats in van religie en politiek. Hoe kan dat? Omdat het een onvoorspelbaar verhaal is dat zichzelf bedenkt, meent . „Het raakt aan diepe menselijke verlangens.”

foto reuters

In een frivole poging de World Cup te kapen liet een Nederlandse brouwerij vier jaar geleden in Zuid-Afrika zijn bier promoten door meisjes in oranje jurkjes. Dit jaar maakten we kennis met de psychopatische variant van guerrilla marketing. Om hun zaak te promoten vielen gemaskerde jihadisten in Noord-Irak het huis van een plaatselijke politiechef binnen. Ze onthoofdden hem in zijn slaapkamer en twitterden een foto van zijn afgehakte hoofd met als bijschrift: „Dit is onze bal. Hij is gemaakt van huid #WorldCup.”

Ze mochten dan sadistische extremisten zijn, ze hadden in ieder geval goed begrepen dat de World Cup het meest populaire en onstuitbare evenement ter wereld is.

Het toernooi moet eerder dromen waarmaken dan nachtmerries. Maar ISIS probeert er, als vele anderen, een graantje van mee te pikken.

Een halve eeuw geleden, in de tijd dat films nog toonaangevend waren, zei regisseur Sam Fuller eens dat films „een slagveld zijn van liefde, haat, geweld, actie, geweld, dood. In één woord: emotie.”

Dat geldt nu voor voetbal. In termen van populariteit en verafgoding heeft voetbal de film verdrongen.

En popmuziek.

En literatuur.

Geen van die cultuuruitingen brengt complete volksstammen op de been als het wereldbekervoetbal.

Ook op de voorpagina’s verschijnen de mooiste wedstrijdverhalen – over de speler die een hap neemt uit een collega, of over Nederland dat de regerend wereldkampioen in de pan hakt.

Het is een cliché geworden dat voetbal volkssentimenten weerspiegelt en verhevigt. Als een landsteam goed speelt, leeft het hele land op en straalt dat ook uit naar de rest van de wereld.

De intensiteit van dat fenomeen kan verbluffend zijn.

De Belgische Rode Duivels zijn dit jaar a) hoofdzakelijk van Afrikaanse afkomst en b) geweldig. Omdat die twee eigenschappen samenhangen zijn de aloude spanningen tussen Vlamen en Walen geparkeerd om te kunnen genieten van hun Belgische nationaliteit.

Das Wunder von Bern – toen de armetierige Duitse amateurvoetballers de geweldige Hongaren versloegen in de wereldbekerfinale van 1954 – wordt gezien als sleutelmoment voor de herrijzenis van het naoorlogse West-Duitsland. Pas toen Die Nationalmannschaft op het toernooi in 2006 eindelijk zijn starre reputatie van zich afschudde en levendig en creatief ging voetballen, was de eeuwige schaamte over hun landsgeschiedenis bij de Duitsers genoeg gezakt om met hun vlag te kunnen zwaaien en trots te zijn op hun Duitse nationaliteit.

Maar voetbal kan evengoed het negatieve weerspiegelen en versterken.

Zo steken de Engelse angstgevoelens over de verschrompelde internationale status steevast de kop op tijdens de World Cup. Zodra het Engelse team eruit ligt, zakt de hele natie weg in een moeras van zelfhaat.

Dat uit zich in galgenhumor en verwoede analyses over waar het land de mist is ingegaan. De leukste grap dit jaar kwam in de vorm van een nieuwstweet: „Engels voetbalteam bezoekt Braziliaans weeshuis. ‘Het was hartverscheurend om die trieste gezichtjes zonder hoop te zien’, zei José, 6 jaar oud’.”

Intussen bereikt het nationaal gemoed in Nederland grote hoogten dankzij de inspanningen van Louis van Gaal. Toch denken we onwillekeurig terug aan het verwoestende effect van beroemde nederlagen.

Het verhaal van het ‘totaalvoetbal’ en de verloren finale van 1974 zijn te bekend om te worden herhaald.

Je hoeft alleen maar te vragen ‘Maar stel dat we gewonnen hadden?’ om te zien hoeveel invloed de uitslag heeft gehad op het Nederlandse zelfbeeld in de late twintigste eeuw.

En ik denk nog steeds dat het verlies tegen Ierland door het nationale elftal – voor het eerst onder Van Gaal – op 1 september 2001 heeft bijgedragen aan het terneergeslagen landsgemoed, en de weg heeft gebaand voor de opkomst van Pim Fortuyn.

Wat mij echter nog meer intrigeert dan het effect van voetbal op het nationale gemoed is de vraag waarom het ons persoonlijk zo diep kan raken – en hoe de alomtegenwoordigheid ervan onze cultuur kan beïnvloeden.

Dat is nog niet vaak onder de loep genomen, maar het is wel belangrijk. Terwijl het belang van politiek en religie als vehikel van gedeelde ervaringen en aspiraties terrein verliest, vult voetbal de ontstane leegte.

Aan voetbal zijn al vaak quasi-religieuze eigenschappen toegeschreven: het rituele dragen van de clubkleuren, wekelijkse bijeenkomsten met medegelovigen om samen liederen te zingen, enzovoorts. Voetbal werkt daarbij ook vaak als een metafoor voor oorlog. Volgens het geweldige boek The Football Tribe van de Britse antropoloog Desmond Morris doet het een beroep op onze oorsprong als jagers-verzamelaars.

Maar waarom wordt voetbal wereldwijd steeds invloedrijker en geliefder, dwars door alle barrières van taal, cultuur en klimaat? Ik vermoed mede doordat het spel zich van nature zeer goed leent voor het vertellen van een verhaal.

De spelregels van voetbal zijn zo eenvoudig dat een kind ze kan begrijpen, en ingewikkeld genoeg om slimme breinen een leven lang zoet te houden. In samenspel met de televisie hebben ze een soort universele taal geschapen. Het spel raakt een symbolische snaar die diepe menselijke behoeften en verlangens oproept. Maar zoals bij alle grote kunst is deze symboliek ongrijpbaar en op vele manieren te interpreteren.

Het spel zelf is een vrij pure atletische krachtsinspanning – en toch volgt het genoeg klassieke regels van het story telling. Met één verschil: dit verhaal bedenkt zichzelf, in tegenstelling tot andere verhalen op tv of in romans. Voetbal speelt zich af binnen een Aristoteliaanse eenheid van tijd, plaats en handeling. Het levert een soapserie op met eeuwigheidswaarde: eindeloze verhaallijnen en helden en antihelden om ons mee te identificeren en lief te hebben.

De omvang van het elftal biedt op het speelveld een mooie balans tussen het individu en de groep; radio- en tv-commentatoren spelen de rol van het koor uit het klassieke Griekse drama. En het kan geen toeval zijn dat een voetbalwedstrijd even lang duurt als de gemiddelde Hollywoodfilm: 90 minuten.

Bij andere balspelen, zoals basketbal, rugby, American football is het relatief makkelijk om te scoren. Bij het voetbal is dat juist het meest zeldzame en waardevolle goed. Fans bevinden zich zodoende continu in de zalige positie tussen hoop en vrees in afwachting van het volgende doelpunt – afhankelijk van wie scoort. Uniek aan voetbal is, dat je je van seconde tot seconde kunt afvragen: „Wat gaat er nu gebeuren?”

Het belangrijkste aan voetbal is daarom misschien wel de onvoorspelbaarheid, in tegenstelling tot bij andere sporten.

Macht en geld zijn geen garantie voor de overwinning, en vaak worden sterke teams verslagen door zwakkere. We klagen dan wel over het grillige of onkundige optreden van de scheidsrechter; de gevolgen van dat optreden aanvaarden we als noodlot of toeval, zoals we dat vaak ook aak doen in ons eigen bestaan. En dat is misschien wel het diepste geheim van deze sport.

De wereld is verslaafd aan voetbal, omdat het de ultieme metafoor is voor de tijd waarin we leven: voor het leven zelf.