Ook de alfastudent zelf is onder de maat

Veel alfaopleidingen zijn niet goed genoeg, bleek deze week. Maak ze zwaarder, zegtRens Bod. En zorg ervoor dat niet elke universiteit zijn eigen koers vaart.

Illustratie Veronique de Jong
Illustratie Veronique de Jong

Alfastudies zijn populair. Jaarlijks beginnen zesduizend studenten in Nederland aan een studie in kunst, literatuur, muziek en andere producten van de mens, kortom in de alfawetenschappen. Van de afgestudeerden vindt vrijwel iedereen een baan in de ‘alfasector’, die vaak groter en belangrijker is dan gedacht.

Alfa’s domineren de creatieve industrie. Ze werken in onderwijs en onderzoek, in media en politiek, als designer of CEO in het bedrijfsleven en richten communicatie- en internetbedrijven op. In verstedelijkte gebieden blijkt de economische bijdrage van alfa’s groter dan die van bèta’s.

Het gaat dus uitstekend met de alfasector.

Daarom komt de recente beoordeling van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) over de kwaliteit van de alfastudies zo hard aan. De organisatie bestempelt maar liefst 26 van de 212 alfaopleidingen als ‘onvoldoende’. Slechts 21 opleidingen krijgen het predicaat ‘goed’. Dit terwijl Nederlandse alfawetenschappen op internationale ranglijsten hoger dan ooit scoren. Blijkbaar betekenen goed onderzoek en een florerende alfasector nog geen goed onderwijs.

Wat is hier aan de hand?

Het NVAO-rapport moet wel met een korrel zout worden genomen, want het rapport gaat niet zozeer over de onderwijskwaliteit in het algemeen maar over de kwaliteit van de eindwerken. Deze eindscripties zijn ook nog eens beoordeeld op basis van de nieuwe, strengere NVAO-regels. Uit een steekproef zou zijn gebleken dat een aantal van de eindscripties beneden niveau was – en toch een genadezesje kreeg. Dat is ernstige kritiek.

Laat alleen goede studenten blijven

De NVAO zelf heeft ook de wind van voren gekregen: de evaluatieprocedure zou te bureaucratisch zijn, de steekproef niet representatief en de eisen te streng, vooral voor bachelorscripties. Toch raakt de discussie over de kwaliteit van de eindscripties een gevoelige snaar.

Nederlandse alfafaculteiten worden jaarlijks overspoeld door studenten voor wie de keuze voor een alfastudie feitelijk een negatieve keuze is: het is voor veel van hen de enige studie die overblijft. Dit is funest voor de alfawetenschappen.

Waarom maken we de alfastudies dan niet zwaarder, zodat alleen goede, gemotiveerde studenten overblijven en benedenmaatse afvallen?

Het probleem ligt in het universitaire financieringsstelsel. De universiteiten krijgen hun vaste financiering op basis van het aantal studenten – en vooral het aantal studenten dat afstudeert. In die opzet krijgen sommige scripties een genadezesje, terwijl ze eigenlijk onvoldoende zijn. Onacceptabel, maar het perverse financieringsstelsel werkt deze praktijk in de hand. En dat geldt niet alleen voor de alfawetenschappen.

NVAO-voorzitter Anne Flierman stelt nu dat de toegenomen aandacht voor onderzoek in de alfawetenschappen ten koste zou gaan van het onderwijs. Die stelling is te kort door de bocht.

Overal is de aandacht voor onderzoek sterk toegenomen, niet alleen bij de alfa’s. Vergeleken met de andere wetenschappen teren de alfawetenschappen zelfs het minst op onderzoeksgeld. Daarbij wordt hun onderzoek maatschappelijk breed gewaardeerd en gedragen. De vraag is dan ook: hoe maken we het onderwijs beter zonder dat dit ten koste gaat van het onderzoek, en vice versa?

Ten eerste moeten de universiteiten af van het huidige financieringsstelsel. Geef studierichtingen een financiële basis die onafhankelijk is van het aantal eindscripties. Universiteiten moeten juist studenten selecteren, maar kunnen dit alleen als een stabiele financiële basis is gegarandeerd.

De huidige concurrentie heeft geleid tot een wildgroei aan nieuwe opleidingen die vaak bestaan uit niet meer dan een combinatie van delen van andere opleidingen. Maar een opleiding is iets anders dan een wetenschappelijke discipline – iets wat ook in het NVAO-rapport wordt gesignaleerd. Sommige nieuwe studies hebben zelfs geen academische voedingsbodem. Het zijn opleidingen zonder wetenschap, lichamen zonder ziel.

Ik pleit voor een hernieuwde eenheid van onderwijs en onderzoek waarbij geen opleiding wordt gecreëerd waarbinnen geen onderzoek wordt gedaan.

Ten tweede trekt de gemiddelde alfastudie niet altijd de beste studenten aan. De kiem van dit probleem ligt al op het vwo; de serieus gemotiveerde alfa wordt daar niet genoeg uitgedaagd. Behandel daarom al op de middelbare school intellectueel uitdagende alfawetenschappelijke theorieën, zoals het generativisme in de taalkunde, de narratologie in de literatuurwetenschap of de iconologie in de (kunst)geschiedenis. Laat zien hoe spannend en complex deze theorieën zijn en hoe de alfawetenschappen verband houden met andere wetenschappen – van natuurkunde en informatica tot de sociale wetenschappen.

Ten derde moeten de alfafaculteiten meer gezamenlijk optrekken. Nu vaart elke universiteit haar eigen koers bij het opheffen van bestaande of het oprichten van nieuwe alfastudies. De alfafaculteiten azen echter op steeds meer studenten – en de kleine opleidingen hebben het nakijken.

Dit is opnieuw het gevolg van het bizarre financieringsstelsel.

Doe wat aan dit bizarre stelsel

Nederland is groot genoeg om alle alfawetenschappen een plaats te geven en tegelijkertijd klein genoeg om elke gemotiveerde student te laten reizen naar de studie van voorkeur. De huidige situatie, waarbij opleidingen bijna willekeurig uit Nederland verdwijnen of juist worden opgericht, doet verlangen naar een overkoepelende University of the Netherlands, met dertien campussen die eenvoudig worden gedwongen samen te werken.

Daarom, minister Bussemaker, gooi het perverse universitaire financieringsmodel overboord en geef universitaire opleidingen een vaste financiële basis.

Daarom, universiteiten, herstel de eenheid tussen onderwijs en onderzoek zodat alle opleidingen van een wetenschappelijke basis worden voorzien.

En daarom, alfafaculteiten, werk samen met de andere (alfa)faculteiten om zowel studies te behouden als op te richten en zorg, samen met het vwo, dat de beste studenten worden aangetrokken.