Delen

Als kind moest je alles eerlijk delen. Als dat niet gebeurde, mocht de een de chocoladereep in stukken breken en mocht de ander het eerste stukje kiezen. Delen was moeilijk, maar delen was goed. Tijdens de puberteit leerde je dat het ieders vrije keuze was om wel of niet te delen. „Jezus, wat aso dat je die Snickers helemaal alleen opeet”, zei je tegen een klasgenootje dat het socialistische juk van de kindertijd al afgeworpen had.

Tijdens je studie leerde je mensen kennen die dingen zeiden als: „Ik vind het heel mooi dat je dit met ons wilt delen.” Toen kreeg je een beetje een hekel aan het woord ‘delen’. Om aan te geven hoe triest je mensen vond die de hele tijd hun gevoelens op tafel gooiden en daar nog om geprezen werden ook, ging je het ironisch ‘sharen’ noemen. „Ik heb weer heel slecht geslapen”, zei iemand, en dan zei jij: „Fijn dat je het even sharet.” Of: „Wil je erover kleien?” (figuur 1).

Daarna, toen iedereen wel weer zo’n beetje klaar was met ‘delen als mooie karaktertrek’, kwam Facebook en gingen heel normale mensen ineens op een heel normale manier met elkaar praten over ‘delen’. Bijvoorbeeld: „Ik kreeg zóóó’n lief filmpje van mijn neefje die aan het poepen was! Wacht, ik deel hem wel even.” Of zelfs zonder sociale media erbij: „Heeft de coach de opstelling al gedeeld?”

Je realiseerde je dat woorden niet zo vaak van een vaag domein terug migreren naar een normaal domein. Meestal is het namelijk andersom. Neem ‘bewustzijn’: dat was eerst een toestand waarin je verkeerde als je niet knock-out was, maar inmiddels gaat ‘bewustzijn’ vaker over mindfulness of over ‘lekker in je lichaam zitten’ of ‘in het moment zijn’. ‘Delen’ daarentegen is van het ‘share’-domein vol klankschalen weer terug in de dagelijkse realiteit gekomen. Een virtuele realiteit weliswaar – nog maar zelden dacht je bij ‘delen’ aan chocola.