De Belgen stonden wel degelijk achter Oranje

Het gebeurt niet vaak dat een historicus geschiedenis echt kan herschrijven. Meestal kan die alleen maar een andere interpretatie aandragen of enkele nieuwe feiten naar buiten brengen. Maar de Belgische historica Els Witte is het gelukt. Ze herschrijft de periode na het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk, en daarmee de beginjaren van het Belgische Koninkrijk.

Wat was het beeld tot nu toe? Kort samengevat gaan alle historici, inclusief de recente koningsbiografen Jeroen Koch en Jeroen van Zanten (ook ikzelf in Historiezucht), uit van een heldhaftig pogen van koning Willem I om van de in 1814 bij elkaar gevoegde Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden een natiestaat te maken. Daarbij hoorde dat hij om het jaar het hof en de regering verplaatste van Den Haag naar Brussel en omgekeerd.

Willem probeerde beide gebiedsdelen gelijk te behandelen in bijvoorbeeld toekenningen van musea en universiteiten, en ondersteunde het zuiden sterker in zaken die de bevordering van de Nederlandse taal betroffen. Maar tegen de aversie van Hollanders tegen Belgen was niets te beginnen, en de Zuidelijke Nederlanders bleven zich calimero’s voelen.

De Afscheiding in 1830, na het zingen van de opera-aria ‘Heilige vaderlandsliefde’ uit La Muette de Portici, was onontkoombaar en werd zowel in het Zuiden als het Noorden verwelkomd. Weliswaar ging er een compleet Noord-Nederlands leger, aangevuld met duizenden vrijwilligers naar het Zuiden, maar dat was alleen om de Belgen een lesje te leren, niet omdat men zo nodig België terug wilde.

Dat lesje werd trouwens een fikse les voor de Noord-Nederlanders zelf, want de grote mogendheden grepen in en verhinderden een overwinning. Zowel Noord als Zuid zou eigenlijk blij zijn geweest met de uitkomst: het Noorden was van die katholieken af en kon weer een protestantse natie zijn met een rechtlijnig verleden, het Zuiden was van de bemoeizucht af, hoefde die Hollandse brekebenentaal niet meer te leren en kon van zijn industriële voorsprong profiteren.

Wat Els Witte hier tegenover stelt, is een heel andere visie op de afscheiding, in een uitvoerige en uiterst gedegen studie naar het feitelijk verloop ervan. Daarvoor heeft ze duizenden stukken in Noord en Zuid bestudeerd, soms in geheimschrift. De focus van historici vóór haar lag vooral bij de overwinnaars, niet bij de losers. Daardoor zijn deze bronnen lange tijd niet bekeken. Nederlandse historici marginaliseerden het Belgisch orangisme als onderdeel van de eigengereide politieke houding van koning Willem I ná 1830, die maar niet tot erkenning van België wilde overgaan. Belgische historici hielden graag vast aan het beeld dat er meteen na de losmaking een strijdbare, eensgezinde natie ontstond. Volgens Witte is het verzet in België is echter geen marginale actie geweest van een paar oranjegetrouwen maar een invloedrijke beweging die jarenlang geduurd heeft.

Die orangistische oppositie kwam van de zuidelijke elite, onder wie de nieuwe rijken die onder Willem I opgekomen waren. Maar ook de bestuurders, advocaten, legerleiders, intellectuelen, de adel en het volk telden talrijke orangisten.

Leopold, de nieuw aangekochte koning was niet geliefd, in tegenstelling tot de toegankelijke Willem I en de aanbeden kroonprins. Geheel tegen de gangbare opvatting in zijn het niet de Vlamingen die overheersen in het verzet, want de orangistische beweging is overwegend Franstalig. Het gaat ook niet aan om de oppositie alleen in de grote steden te plaatsen: ook het platteland en provinciesteden deden mee, en bovendien kwam er een sterke impuls vanuit Parijs, Aken en Lille, waar opposanten die voor het geweld van 1830 en 1831 gevlucht waren elkaar vonden.

Verzet

Economisch verging het België na de afscheiding buitengewoon slecht: de hele industriële vooruitgang ging verloren. Dat het een beweging zonder sociale cohesie zou zijn geweest, klopt ook al voor geen meter. Volgens Wittes overtuigende bronnen is de intensiteit van het royalisme stelselmatig onderschat. In Den Haag zaten de coördinerende figuren bij elkaar, ook gevlucht uit België, maar strak geleid en ondersteund door Willem I. Het verzet takelde pas af na de dood van Willem II in 1849.

Waarom is dan dat Verenigd Koninkrijk toch niet gelukt? Ikzelf droom er geregeld van hoe het heden zou zijn geweest als België en Nederland niet uit elkaar waren gegaan. Vooral voor de cultuur zou dat een zegen zijn geweest. De letterkunde zou zich al veel eerder ontwikkeld hebben tot het kapitale bouwwerk dat het nu is, nu Vlaamse en Nederlandse schrijvers samen één krachtige cultuurtaal exploreren en verrijken. De huidige theatersamenwerking zou al veel eerder tot uitwisseling van de Vlaamse explosieve kracht en de Nederlandse intensiteit geleid hebben.

Maar ook op economisch en politiek gebied zou alles anders gelopen zijn. De Nederlanden zouden tot een machtige natie zijn uitgegroeid met een inwonertal dat in Europa veel meer gewicht in de schaal zou hebben gelegd. Bovendien zouden Limburgers en Brabanders niet meer van die onderaan bungelende provincialen zijn geweest, maar gewoon lid van een grote Zuid-Nederlandse familie. Dat Wallonië dan helemaal een kolderstreek zou zijn geworden of een Frans wingewest, moesten we maar voor lief nemen.

Dubbelhartigen

Witte legt uit waardoor die krachtige tegenrevolutie mislukte. De orangisten hadden geen eigen leger, maar moesten vertrouwen op dubbelhartigen in het Belgische leger. Daar komt de volhardingspolitiek van Willem I bij. Hij betaalde kapitalen aan koningsgezinde Belgen, maar gaf zijn aanhangers weinig kans zelf initiatieven te nemen. Bovendien waren papa Willem en de kroonprins met elkaar in een onprettige strijd verwikkeld. De kroonprins was zelf uit op de koningskroon in België, waar hij nog steeds enorm populair was door zijn heldhaftig optreden bij Waterloo. Willem I voelde daar niets voor, en streefde na de eerste rellen naar een unie voor beide landen, waarvan hij dan weer aan het hoofd zou staan. Maar het voornaamste is de politieke ingreep van de grote mogendheden, die uiteindelijk Willem I lieten vallen.

Het verloop van dit alles schetst Witte tot in details. Ze wisselt daarbij gedetailleerde hoofdstukken af met plastische samenvattingen. Het paard Wexy dat op de tentoonstelling van de kunstcollectie van Willem II in Dordrecht te pronk stond, is een schitterende running gag in het boek. Het raakte samen met zijn baas, toen nog de kroonprins, gewond in de slag bij Waterloo. Na zijn dood werd het opgezet. In 1834 zouden de levende paarden van de kroonprins die nog in België waren, verkocht worden om de Belgische staatskas te spekken.

Relschoppers wilden Wexy ontvoeren en op een vuilniswagen door Brussel slepen. Antirevolutionairen kwamen in het geweer. Ze zamelden met veel bombarie geld in en smokkelden de levende paarden België uit. De actie was bedoeld om te tonen hoe krachtig de tegenbeweging was.

De opgezette Wexy was achtergebleven, er werden geregeld bloemen en oranje linten bij hem neergelegd, tot orangisten hem in 1843 naar zijn vroegere baas in Den Haag wisten te brengen. Wexy, eens het symbool van het Belgisch orangisme, belandde als kunstvoorwerp in de Koninklijke Stallen.