De ene werknemer is gelijker dan de andere

Groeit de ongelijkheid ook tussen Nederlandse werknemers? Die ongelijkheid wordt meestal opgevat als de groei van het verschil tussen veelverdieners en mensen met een laagbetaalde baan. En dat is ook de beste manier om te meten. Maar er is nog een andere kijk mogelijk.

Er zijn bedrijfstakken in Nederland die substantieel meer betalen dan andere. Dat heeft zijn redenen. In sommige sectoren werken veel mensen die lager zijn opgeleid. Denk aan de zorg, of aan winkelpersoneel. Die sectoren staan dan ook zeer laag op de ladder van de arbeidsrekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarvan de jongste gedetailleerde versie woensdag werd gepubliceerd.

Bovenaan staan sectoren met relatief veel hoogwaardige medewerkers. De mijnbouw en de aardolie-industrie staan traditioneel aan de top. Daar werken goedbetaalde ingenieurs. En ook belangrijk: er werken relatief weinig laaggekwalificeerde mensen.

Toch is er ook sprake van beloningsverschillen over de gehele linie. Dus: van baliemedewerker tot directeur is het niveau hoger. Voorbeeld? Een dierenarts in de kennissenkring merkte eens op dat hij minder verdiende dan de secretaresse van zijn vrouw, die bij een groot advocatenkantoor werkte.

Uit de CBS-cijfers blijkt dat de beloningen bij banken vorig jaar over de gehele breedte fors zijn gestegen. Dat is, inderdaad, van de balie tot aan de directiekamer.

Je kunt, kortom, vaak beter een wat lagere functie hebben in een goedbetaalde branche als het juridisch en managementadvies, dan een leidinggevende positie in de recreatieve sector. En het aardige is: de verschillen tussen de sectoren (het CBS hanteert er 66, van de visserij tot de elektrotechniek, en van onderwijs tot de papierindustrie). Uit de gegevens, die teruggaan tot 2001, blijkt dat de verschillen in beloning tussen deze bedrijfstakken zijn toegenomen. De best betalende sectoren uit 2001 gingen er in de twaalf jaar daarna gemiddeld meer op vooruit dan de slechtst betaalde.

En zo lijkt de ongelijkheid tussen werknemers toegenomen. In de sport en recreatie moest je destijds voor het geld al niet zijn, en de tak behoort sindsdien ook tot de laagste waar het de stijging van de lonen per arbeidsjaar aangaat. Dat geldt nog sterker voor de horeca: onderaan de ladder in 2001 en een stijging van het loon per arbeidsjaar van slechts 20 procent over de periode 2001-2013. Banken, tegenwoordig nogal onder vuur over het beloningsbeleid, betaalden daarentegen al in 2001 als een van de beste, en lieten ook een van de grootste loonstijgingen per arbeidsjaar zien: 66 procent tot aan 2013.

Waar zou het aan liggen? Een verschuiving naar hoogwaardiger arbeid binnen de ene sector (banken) en een verschuiving naar laagwaardiger arbeid in de andere (post)? Het kan, en wordt ook graag als verklaring gegeven. Maar het is ook mogelijk dat sprake is van een beloningscultuur. Bij Shell, zo weten we in Nederland al heel lang, ‘heb je het goed’. Dat geldt zeker ook voor banken. Er wordt veel verdiend, de cao’s zijn prima. De salarisstappen per periodiek kunnen groter zijn dan in andere sectoren, waardoor de verschillen tussen bedrijfstakken structureel toenemen.

Aan de andere kant zijn er de branches waar de klappen vallen. De detailhandel inderdaad, die lijdt onder de opkomst van het web. Daar gingen werknemers er sinds 2001 25 procent op vooruit. Wat een contrast met de sector telecommunicatie (waaronder internet): dit is de recordhouder loonstijging, met 70 procent sinds 2001. De verandering van de economie is haarfijn waarneembaar in de lonen. De keuze voor een carrière is, misschien meer dan ooit, een precaire zaak.