Hoe het Suikerpaleis museum werd

Graaf Johan Maurits liet het Mauritshuis in 1644 bouwen. Critici noemden zijn ‘Suikerpaleis’ veel te groot en te duur, blijkt op de openingstentoonstelling in het gerenoveerde Mauritshuis.

Bartholomeus Johannes van Hove: Het Mauritshuis, 1825
Bartholomeus Johannes van Hove: Het Mauritshuis, 1825

‘Het Suikerpaleis’ werd het Mauritshuis in de jaren na de oplevering in 1644 genoemd door critici die het huis te groot, te duur en te patserig vonden. De opdrachtgever van het vrijstaande stadspaleis was graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679), de Duitse achterneef van de stadhouder Frederik Hendrik. Hij zou zijn huis bij het Binnenhof in Den Haag deels met winsten uit de suikerhandel met Brazilië hebben gefinancierd.

Tijdens de bouw van het Mauritshuis verbleef Johan Maurits in Zuid-Amerika als gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië. Na een glansrijke militaire carrière in Nederland werkte hij daar van 1637 tot 1644 tegen een riant salaris voor de West-Indische Compagne (WIC), die zich bezighield met driehoekshandel. Eerst brachten de WIC-schepen drank, textiel, wapens en andere waren naar West-Afrika en vandaar vervoerden ze slaven naar Brazilië – Johan Maurits was de man die Nederland bij de slavenhandel betrok. Ten slotte voeren de schepen beladen met suiker terug naar Nederland.

Tijdens Maurits’ afwezigheid in Den Haag hield zijn vriend Constantijn Huygens toezicht op de bouw van zijn stadspaleis. Huygens was ook degene die Maurits in contact had gebracht met Jacob van Campen, de architect van Maurits’ huis.

Op de tentoonstelling Mauritshuis – Het gebouw, waarmee de nieuwe ruimte van het Mauritshuis voor wisseltentoonstellingen wordt ingewijd, hangt dan ook een portret van Constantijn Huygens en zijn vrouw, geschilderd door Jacob van Campen. Het topstuk van de mooie, niet al te grote tentoonstelling is een ander werk van Jacob van Campen, het ongeveer 4 meter hoge Triomftocht met schatten uit de Oost en de West van omstreeks 1650. Gewoonlijk hangt dit schilderij, waarop tal van vruchten, bloemen, papegaaien, wapens en andere voorwerpen uit West- en Oost-Indië zijn te zien, in de Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch, dat niet publiek toegankelijk is.

Behalve schilderijen van Van Campen en andere schilders, onder wie Gerrit Berckheyde, laten ontwerptekeningen, prenten, boeken, brieven, foto’s en filmpjes de geschiedenis van het Mauritshuis zien. Samen met architect Pieter Post maakte Jacob van Campen, ook de ontwerper van het Koninklijk Paleis in Amsterdam, van het Mauritshuis een van de beste voorbeelden van het Hollands classicisme, de stijl waarvoor de boeken van de Italiaanse renaissance-architecten Andrea Palladio en vooral diens leerling Vincenzo Scamozzi als bijbel golden.

Na Maurits’ terugkeer uit Brazilië in 1644 werd het huis deels museum: de bovenverdiepingen stouwde hij vol met ‘rariteiten’ als mineralen, veren, ivoor en opgezette dieren die hij uit Brazilië had meegenomen. Het huis grensde toen aan een grote tuin, waarvan de ontwerptekeningen op de tentoonstelling liggen. Op een hiervan is te zien dat er een grote, kunstmatige rots stond, compleet met grot.

Van deze tuin is nu, behalve het pleintje voor het Mauritshuis, niets meer over. Ook van het originele, Hollands-classicistische interieur resteert vrijwel niets meer, zo wordt duidelijk op Mauritshuis – het gebouw. In 1704, toen het Mauritshuis al bijna dertig jaar een Hotel van Staat was voor hoge gasten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, brandde het geheel uit. Bij de herbouw kreeg het stadspaleis een nieuw interieur met onder meer barok stucwerk. Voor de plafond- en wandschilderingen in onder meer de benedenzaal, die nu zijn gerestaureerd, werd de Venetiaanse schilder Giovanni Antonio Pellegrini aan het werk gezet.

Pas ruim een eeuw na de voltooiing van de restauratie werd het Mauritshuis het museum dat het nu is. Na opnieuw een verbouwing die niet veel veranderde aan het achttiende-eeuwse interieur bood het Mauritshuis vanaf 1822 onderdak aan het Koninklijk Kabinet van Schilderijen en het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, beide van Willem I, de tweede koning van Nederland.