Bijten

Mijn voortanden zijn nooit dol geweest op harde appels. Vooral aan die groene joekels – ik meen dat ze Granny Smith heten – heb ik een hekel. Mijn mond moet te ver open. Mijn voortanden komen niet door de aalgladde schil. Ik krijg scheurtjes in de mondhoeken.

Zachte, rode en gele appels leveren nooit problemen op. Een Elstar? Dat is een lachertje. Binnen een mum van tijd ben ik bij het klokhuis. Bijten is de normaalste zaak van de wereld. Het voorste deel van het gebit is ervoor geschapen. Stevige voortanden en scherpe hoektanden doen de hele dag hun werk: boterhammen doorbijten, kaaskorstjes afgrazen, botten kluiven, het onderste deel van een tompouce knakken.

Onze tanden gebruiken we gedachteloos. Niemand zegt hardop: „Zo, en nu ga ik eens lekker bijten.”

Mijn tandarts – ik heb over twee weken een afspraak voor een kroon - zal niet blij zijn met deze alinea. Ik gebruik mijn gebit namelijk ook weleens voor verkeerde doeleinden. Een knoop in een veter lostrekken, plastic verpakking openscheuren, een dop van een fles loswrikken.

Bijten in vlees is niet slecht, je tanden zijn ervoor gemaakt. Wij mensen zijn tenslotte carnivoren.

Persoonlijk bijt ik het liefst in vlees dat van buiten lichtbruin gebakken is en van binnen rood. Dan moet ik er een beetje voor werken en krijg vervolgens een bloedsmaak in mijn mond cadeau.

Ik heb het over dierenvlees.

Lichtjes in mensenvlees bijten komt ook voor. Het is liefdevol bedoeld, al dente, zelfs als de afdruk van je tanden even in het vel van de ander blijft staan.

Als je hard doorbijt in een mens, dan doet dat pijn. Zeker als de ander het niet wil. En als het zo’n beet is waarbij het hele bovenlichaam meeschudt, dan ben je vals.

Ik zou voor de zekerheid een spuitje gaan halen.

Tegen hondsdolheid.