De Nederlandse leraar valt positief op

Ze zijn tevreden met hun werk, een groot deel voelt zich gewaardeerd door de maatschappij en ze werken het liefst alleen. De Nederlandse leraar is eigenlijk best tevreden.

Ze hebben een klas van 25 leerlingen, geven het liefst in hun eentje les en vinden dat ze vaak lang moeten wachten voor ze kunnen beginnen. Van inhoudelijke kritiek groeit hun werkplezier en ze laten zich bijna allemaal bijscholen – als het maar niet te lang duurt. En meer dan hun buitenlandse collega’s hebben ze te maken met laatkomers en spiekers. Dat is de Nederlandse leraar.

Het zijn uitkomsten van de vandaag verschenen Teaching and Learning International Survey (TALIS), een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Die ondervroeg ruim 100.000 leraren en 10.000 schoolleiders uit de onderbouw van het voorgezet onderwijs in 33 landen over hun vak: wie zijn ze, wat vinden ze, wat doen ze en hoe?

In Nederland deden zo’n 2.000 leraren van 130 scholen mee. Zij zijn tevreden met hun werk, of in elk geval meer tevreden dan hun meeste buitenlandse collega’s. Slechts 5 procent heeft spijt voor het vak te hebben gekozen. Dat is internationaal het dubbele. Van de Nederlandse docenten voelt 40 procent zich gewaardeerd door de maatschappij; minder dan de helft, maar internationaal meer dan gemiddeld.

Het OESO-rapport geeft een gedetailleerd beeld van leraren. Van wekelijkse uren aan lesvoorbereiding (vijf in Nederland, zeven gemiddeld) tot het aanbieden van apart werk aan scholieren met leerproblemen (20 procent hier, 44 procent gemiddeld) en fulltime werken (43 procent hier, 82 procent gemiddeld).

Het onderwijs feminiseert bijna overal. Cijfers laten zien dat in elk land meer vrouwen voor de klas staan (gemiddeld 68 procent), met uitzondering van Japan (39 procent). In Nederland zijn vrouwen net in de meerderheid (55 procent). Wel is de schoolleider vaker een man (69 procent). Alleen Japan en Zuid-Korea hebben meer mannen op die positie.

De Nederlandse schoolleider is kampioen leidinggeven. In geen ander land besteedt die meer tijd aan ‘administratieve- en leiderschapstaken en -bijeenkomsten’ dan hier: ruim de helft van de werktijd. De Nederlander bemoeit zich dan weer minder met het oplossen van disciplineproblemen in de klas dan de meeste internationale collega’s.

Zegt het wat over Nederlandse scholieren – en hun ouders? In ieder geval zegt ruim driekwart van de schoolleiders dat op hun school wekelijks leerlingen te laat komen. Het wereldwijde gemiddelde is iets meer dan de helft. Ook zouden Nederlandse kinderen meer spieken dan hun buitenlandse leeftijdgenoten (58 procent van de schoolleiders zegt het regelmatig voorkomt, het gemiddelde is 13 procent).

De Nederlandse leraren voldoen, is uit het rapport op te maken. Ze vallen eerder in positieve dan in negatieve zin op. Maar de aanbevelingen slaan zeker ook op het onderwijs hier.

Zo noemt de OESO begeleiding en professionalisering als belangrijke voorwaarden voor beter onderwijs. Daarin scoort Nederland gemiddeld. Zo heeft 46 procent een formeel begeleidingsprogramma gevolgd. 93 procent deed ‘iets’ aan professionele ontwikkeling, maar vooral bij korte seminars en workshops. Langer durende kwalificatieprogramma’s of deelname aan docentennetwerken zijn minder populair.

Leraren vinden dat deelname aan professionalisering niet goed past in het rooster (38 procent) of dat het opleidingsaanbod tekortschiet (39 procent). Maar misschien heeft dat wel te maken met kennis. Want waar het mentorprogramma’s betreft, zegt 71 procent van de schoolleiders dat aan te bieden, maar slechts 17 procent van de docenten maakt er gebruik van.

Naast beoordelingen van een leidinggevende krijgen leraren in Nederland vaker dan internationaal feedback van een gelijke, en weer minder vaak van ouders. Nederlandse leraren voelen ook minder samenwerking tussen school en lokale gemeenschap: 21 procent, net als Scandinavische collega’s, tegenover zo’n driekwart internationaal.

De OESO benadrukt het belang van samen lesgeven en van elkaar leren. Dat doet in Nederland slechts een derde van de leraren, internationaal is dat bijna het dubbele. Ook wordt succes hier minder vaak gedeeld dan gemiddeld.

De zorgen over het Nederlandse onderwijs komen vooral van schoolleiders: bijna driekwart vindt dat goed onderwijs wordt belemmerd door een tekort aan gekwalificeerde of goed presterende leraren. Het rapport toont het Nederlandse dilemma van onbevoegde leraren: een op de vijf docenten geeft aan niet voldoende gekwalificeerd te zijn voor het werk dat hij of zij doet. Het terugdringen – en dus bijscholen – van onbevoegde leraren is een van de speerpunten in het Onderwijsakkoord van vorig jaar.

Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) noemt in een eerste reactie het rapport het startpunt van een discussie. „We zien dat Nederlandse leraren op sommige onderdelen met kop en schouders boven buitenlandse collega’s uitsteken, maar ook dat er op een aantal punten het nodige te verbeteren valt.”