De voorproef: Rubens, Goethe en Kate Figes

Foto ANP

Wekelijks grasduint een boekenredacteur van NRC Handelsblad in de rubriek De voorproef door de stapel nieuwe boeken. Deze week Toef Jaeger over Rubens, Kate Figes en Goethe.

Kunst is een zinnige invulling van het leven, maar in de tijd van Rubens misschien nog niet eens de zinnigste. Want Rubens (1577-1640) was natuurlijk geen romanticus, hij was een man in zijn tijd en in de wereld, een echte intellectueel. Behalve kunstenaar ook zakenman en diplomaat, verbluffend modern, zo wil althans Leen Huet ons doen geloven, de samenstelster van de mooie heruitgave van Rubens’ Brieven.

En ongelijk heeft ze niet want de in vijf talen geschreven brieven bevatten niet zozeer de zielenroerselen van de worstelende kunstenaar die centraal staan maar de liefhebber van de oudheid, de trotse eigenaar van een mooi huis, vader, echtgenoot en observator: ‘Ik heb alleen medelijden met de koning [Fillip IV]. Door de natuur is hij begiftigd met alle kwaliteiten van lichaam en geest [...] als hij meer zelfvertrouwen had en niet zoveel belang aan de mening van anderen hechtte, zou hij drommels bekwaam zijn om te regeren’. Het boek komt verrassend modern over, juist omdat het geloof in kunst als kern van het leven lang niet zo overheersend meer is.

Dat was vroeger wel anders, zo blijkt uit de bundel Hoe kunst en filosofie werken. Het is een beetje opgezet als een studieboek, maar er staan veel leuke stukken in, die laten zien dat kunst steeds belangrijker werd, en hoe. Filosofie is van oudsher de manier waarop mensen het leven wilden begrijpen, maar kunst werd op allerlei manieren steeds belangrijker. De auteurs schrijven vooral over de raakvlakken – dus wanneer kunst filosofie wordt (John Cage, Marcel Duchamp), of wanneer kunst filosofische lading krijgt (Kafka, Bacon). De stukken over filosofen in wier werk de kunst een rol speelt, zijn taaier (Deleuze, Foucault) – je bent blij dat je niet uit dit boek hoeft te studeren. Maar het boek laat op vele plaatsen mooi zien dat het nu moeilijk is voor kunst om een zingevende rol te spelen. Wat is schoonheid nog waard vandaag de dag?

Dan maar naar de liefde om het leven zin te geven, dat zal toch niemand tegenspreken? Hoewel, daar plaatst Kate Figes in Bedrog wel enkele kanttekeningen bij. Figes – zus van de historicus Orlando, die berucht werd omdat hij onder valse naam recensies over vakgenoten op Amazon zette – vraagt zich af of monogamie wel bij de menselijke verhoudingen hoort.

Niet dat ze de kracht van de liefde wil ontkennen, maar juist de krampachtigheid waarmee we gelukkig in de liefde moeten worden om zin aan ons leven te geven, is problematisch. Als er dan iets verkeerd gaat, zoeken we niet de confrontatie, maar vluchten we in bedrog. En dat maakt de zaken alleen maar erger. Dat Figes het over ‘zinloze’ scheidingen heeft, geeft aan dat ze in haar ruimdenkendheid toch ook diep geworteld is in traditionele waarden. Uiteindelijk is Bedrog vooral een zelfhulpboek in chique verpakking.

En tot slot eindigt het leven – en de laatste kans op zingeving ligt in de laatste woorden die je spreekt. Goethe heeft dat niet slecht gedaan met zijn ‘Meer licht’, zelfs al moet deze laatste ademtocht waarschijnlijk vooral geïnterpreteerd worden als een verzoek de gordijnen wat verder open te doen. In Meer licht laten negen ‘Europese schrijvers’ hun licht schijnen (excuseer de woordspeling) over wat Goethe bedoeld mag hebben, of hoe hij met zijn woorden de weg wees. Meer kennis, meer verlichting, meer openheid?

Manon Uphoff schrijft het mooiste stuk van deze soms wat pretentieuze maar ook leuke bundel. Ze associeert erop los, verdiept zich in de duisternis, bijvoorbeeld in de vorm van Conrads roman Heart of Darkness. Meer licht brengen? Uphoff laat zien waartoe dat kan leiden – als koloniale macht, maar ook op de Balkan. Het wordt afgrijselijk. Logisch dat haar stuk de bundel niet afsluit, dat doet Fabrice Humbert, die Goethes woorden interpreteert als een fakkel die we moeten doorgeven als Europeanen. Het is menslievender maar minder geestig – en wellicht is het wat cynisch om alleen zin te zien in ironische relativering.