Schuldbesef voor de Shoah kwam met de emancipatie

Te midden van geweld en geruchten deed het er niet zoveel toe wat de gezagsgetrouwe Nederlander ‘wist’, aldus H.W. von der Dunk.

‘Wir haben es nicht gewusst’, klinkt het sinds 1945. Niet alleen als Duits verweer bij collectieve beschuldiging, maar ook als beschimping. Inmiddels ontkomen ook Nederlanders niet aan deze sarcastische opmerking.

„Wat wisten ‘gewone Nederlanders’, Jood of niet-Jood, van die massale deportatie en daaropvolgende vernietiging?”, vraagt socioloog Abram de Swaan zich af (NRC 14/6). Om dan tot deze slotsom te komen: „Kern van de zaak is niet of men toentertijd in Nederland volle zekerheid had omtrent de uitroeiing van de Joden, maar of mensen genoeg gehoord en gezien hadden om zich de grootste zorgen te maken over het lot dat de Joden te wachten stond, en vervolgens, hoe ieder voor zich daarmee omging.”

De Swaan, auteur van Compartimenten van vernietiging; over genocidale regimes en hun daders (2014), pleit ervoor om niet alle Nederlanders van toen aan te klagen of vrij te pleiten, maar te achterhalen hoe zij op zoveel verschillende manieren en met zoveel tegenstrijdigheid die verschrikkelijke periode hebben meegemaakt. De emeritus hoogleraar wijst in dat verband op de lastige vraag wat we onder ‘weten’ moeten verstaan. Allang gaat dat niet meer alleen over Duitsers, maar ook over de Nederlanders. Nadat de (voornamelijk joodse) beschuldiging over verdringing en wegkijken al bijna een vast geloofsartikel was geworden, blies de Leidse historicus Bart van der Boom het debat weer leven in met zijn onderzoek naar oorlogsdagboeken. Wij weten niets van hun lot, luidde de smalende titel van zijn studie uit 2012. Prompt riep dat weer protesten op.

De enormiteit van het leed is niet de enige voedingsbodem voor de schuldvraag. Emancipatie en democratie hebben mogelijk een sterkere moralisering van de publieke opinie teweeg gebracht, zeker in Nederland. De politisering van de bevolking betekent een schijnbaar grotere medeverantwoordelijkheid van de burger dan toen hij nog onderdaan was en de politiek had te accepteren zoals het weer.

Die medeverantwoordelijkheid berust echter deels op schijn. Ook in onze democratie is de enkeling vrij machteloos – alle participatielofzangen ten spijt. Protesten tegen de politiek kunnen slechts achteraf en hebben slechts bij voldoende omvang nut. Ook nu wordt de burger doorlopend verrast met schandalen. En moet hij bekennen dat hij ‘er niet van wist’. In vele gevallen te goeder trouw. Was de gewone Nederlander verantwoordelijk voor Rawagade of Srebrenica?

Wat wij weten is geen eenvoudige vraag omdat ons weten een hiërarchie kent. Die wordt bepaald door concentrische cirkels van belangen, de emotionele evenzeer als de rationele. Zelfbehoud en zorg om onze naasten staan in een oorlog normaliter bovenaan en ons weten heeft de neiging zich aan te passen om conflict uit de weg te gaan. Wij weten dan met minder stelligheid en dat lag bij die knoedel van informatiebronnen, leugens, dagelijks oorlogsgeweld en wilde geruchten nog weer anders dan vandaag.

Zelfs Joden trapten nog in de val dat het einddoel getto’s in het oosten waren. Omdat het ondenkbare werkelijkheid was geworden is het na 1945 niet langer ondenkbaar en heeft daarmee optiek en maatstaven van het nageslacht wezenlijk veranderd. Daardoor worden vragen gesteld die niet vrij zijn van anachronisme – zoals dat iedereen Auschwitz toch had kunnen voorzien.

Voor de tijdgenoten en hun weten had de werkelijkheid veel meer aspecten dan wat ons vandaag interesseert en wij tot het wezenlijke verklaren. De verontwaardiging van veel naoorlogse beschuldigers vanuit een veilig land mist de sordino van ware zelfkennis. Toen een ondergedoken oude vrouw het gastgezin haar grote dank uitsprak, kreeg ze als antwoord: „U had toch in een omgekeerde situatie hetzelfde gedaan.” Waarop ze enkel zei: „Ik hoop het!”