Schrijvende strafpleiter

Ferdinand von Schirach, een van Duitslands beroemdste strafpleiters, kan echt schrijven; het is verleidelijk te denken dat zijn krachtige, onderkoelde stijl gescherpt is door de rechtszaal. In zijn roman Taboe roept hij met treffende beelden de jeugd van Sebastian von Eschburg op – een wereld van verlangen naar een aristocratisch, kosmopolitisch verleden, terwijl het familievermogen verdampt is en het huis, op een landgoed tussen München en Salzburg, vervallen raakt.

Wanneer Sebastian tijdens een vakantie thuis is, gaat hij jagen met zijn vader, die somber is en te veel drinkt. ’s Avonds davert er een schot door het huis. Sebastian is als eerste ter plekke, om te constateren dat zijn vader geen hoofd meer heeft. In de familieterminologie heet dat: ‘Een ongeluk bij het schoonmaken van het jachtgeweer.’ De jongen ontwikkelt zich tot een gesloten man met een exceptionele, autistiforme gevoeligheid voor kleuren; hij wordt fotograaf; zijn succes in de kunstwereld overvalt hem. Tot zover is de schrijver uitstekend op dreef.

Het probleem is dat Von Schirach zich halverwege het boek zijn marktspecialisatie van schrijvende advocaat herinnert. Dus wordt de zonderlinge Von Eschburg van moord verdacht en vraagt hij de Berlijnse advocaat Konrad Biegler hem te verdedigen.

Deze Biegler is de hoofdpersoon in de tweede helft van het boek. Je merkt als lezer dat je geacht wordt op zeker moment door zijn chagrijn en misantropie heen te kijken en hem in je hart te sluiten als de ouderwetse, tegendraadse held die pal staat voor de rechten van zijn cliënt. Maar dat omslagpunt blijft uit, de auteur slaagt er niet in de lezer voor zijn hoofdpersoon in te nemen. Omdat ook de ontknoping nogal vergezocht is, haalt Von Schirach niet het niveau van zijn vorige roman, De zaak Collini, waarmee hij internationaal doorbrak.