Dit is een artikel uit het NRC-archief

In feite bent u een slappeling

De Russische president Vladimir Poetin rijdend te paard tijdens zijn vakantie in de Republiek Tyva in 2009. Martiale leiders laten zich al eeuwen verheven in het zadel afbeelden.
De Russische president Vladimir Poetin rijdend te paard tijdens zijn vakantie in de Republiek Tyva in 2009. Martiale leiders laten zich al eeuwen verheven in het zadel afbeelden. Foto ANP

Weg met de sterke leider! De neiging, ook in democratieën, om steeds meer betekenis te hechten aan sterk, individueel politiek leiderschap is misplaatst. Het is een illusie te denken dat sterke leiders ook goede, effectieve leiders zijn, stelt de Britse politicoloog Archie Brown in The myth of the strong leader, een volumineuze geschiedenis van politiek leiderschap.

Sterke leiders, dat wil zeggen politici die geneigd zijn de macht in eigen hand te houden, die hun omgeving domineren en die bij voorkeur zelf de grote besluiten nemen, verdienen dus geen bewondering, maar juist kritiek. Onze obsessie met krachtige, viriele, televisiegenieke politieke leiders is een waanidee. In alle gevallen, democratie of dictatuur, blijkt collectief en gedeeld bestuur effectiever dan ferm en individueel leiderschap.

Een journalist schreef ooit over de Britse premier Tony Blair dat diens grootste zwakte was zijn obsessie om niet zwak te lijken. Blair deelde deze dwanggedachte met zijn grote vijand Saddam Hoessein. Op de vraag van Amerikaanse verhoorders waarom hij nooit had willen toegeven niet langer over massavernietigingswapens te beschikken, zou Saddam hebben geantwoord: om niet zwak over te komen. Het kostte hem uiteindelijk zijn leven, en dat van honderdduizenden van zijn landgenoten.

Archie Brown deelt met veel Britse intellectuelen, van links en van rechts, een bijna fysieke weerzin tegen Blair. Blair was typisch zo’n leider, suggereert Brown, die volkomen overtuigd was van zijn eigen gelijk, die zich omringde met louter gelijkgezinden, en die zich zo min mogelijk gelegen liet liggen aan formele procedures en instituties. Blair zou slachtoffer worden van de illusies en het zelfbedrog die hijzelf schiep, stelt Brown, en hij verwijst naar het besluit van Blair om op valse gronden deel te nemen aan de Amerikaanse invasie van Irak.

Blair is geen Saddam, maar dat laat onverlet dat hun stijl van leiderschap overeenkomsten vertoont. En dat is het aardige aan The myth of the strong leader: de illusie van het krachtige leiderschap lijkt net zo prominent en weinig effectief onder democratische als onder autoritaire politieke verhoudingen.

Brown onderscheidt drie typen machthebbers: revolutionaire, vernieuwende en transformerende leiders. Aan de literatuur over revolutionair leiderschap voegt hij niet veel toe.

Vernieuwend leiderschap is volgens Brown in staat de politieke agenda ingrijpend bij te stellen en de grenzen van wat politiek mogelijk is fors op te rekken.

Transformerend leiderschap weet fundamentele veranderingen te realiseren en is in staat het politieke of economische systeem drastisch te hervormen.

Vernieuwend leiderschap

Welke politieke leiders hebben werkelijk een verschil gemaakt? Brown maakt niet altijd voor de hand liggende keuzen. President Kennedy was geen vernieuwende leider, maar zijn wat grijze, weinig charismatische opvolger Lyndon Johnson wel. Johnson is de grootste wettenmaker uit de naoorlogse geschiedenis van de Verenigde Staten, meent Brown.

Franklin Roosevelt was ook een vernieuwende en succesvolle president, maar Ronald Reagan, die een vergelijkbare populariteit genoot, was dat veel minder.

Onder de Britse premiers, die over het algemeen meer politieke speelruimte genieten dan de Amerikaanse president, behoren Clement Attlee en zijn naoorlogse kabinet en natuurlijk Margaret Thatcher tot de grote vernieuwers. Winston Churchill was een charismatische maar geen vernieuwende leider. Tony Blair was dat evenmin. Helmuth Kohl, F.W. de Klerk en Chiang Ching-kuo, zoon van de autoritaire Chiang Kai-shek, die Taiwan de democratie in leidde, waren volgens Brown wél vernieuwende leiders, zij het om uiteenlopende redenen.

Vernieuwend leiderschap is uitzonderlijk; leiderschap dat politiek en samenleving radicaal weet te veranderen is zeldzaam. Anders dan revolutionaire veranderingen heeft politieke transformatie een positieve betekenis voor Brown. Transformatie leidt tot iets ‘beters’, iets ‘mooiers’. Het is een zacht criterium, maar het bepaalt wel waarom transformerende leiders bijna nooit voorkomen in democratieën.

President Abraham Lincoln, de overwinnaar van de Burgeroorlog en de afschaffer van de slavernij, is naar de mening van Brown het enige voorbeeld uit de Amerikaanse geschiedenis. Charles de Gaulle, grondlegger van de Vijfde Franse Republiek, zou de enige Europese leider zijn die tot deze categorie behoort. De overige machthebbers die de politieke orde in hun land ingrijpend wisten te veranderen, kwamen voort uit een autoritaire orde, die ze in belangrijke mate wisten om te vormen tot een democratie en een markteconomie.

Michail Gorbatsjov is Browns favoriete voorbeeld. Brown is een Ruslanddeskundige en hij heeft veel over Gorbatsjov gepubliceerd. Deng Xiaoping behoort tot dezelfde categorie. Adolfo Suarez, de hooggeplaatste bureaucraat uit de Franco-tijd die een cruciale rol speelde in de democratisering van Spanje gedurende de tweede helft van de jaren zeventig valt wat Brown betreft dezelfde eer te beurt.

Over president De Gaulle is eens opgemerkt dat hij zich ‘in de richting van de geschiedenis bewoog’. Meestal maakt de tijd de politicus; bij uitzondering weet de politicus zijn tijd te maken. Dat geldt dus voor De Gaulle, voor Gorbatsjov, voor Deng, en voor een handvol andere leiders.

Collectief leiderschap

Brown stelt terecht het beeld van een zwakke, dikwijls besluiteloze en uiteindelijk beklagenswaardige Gorbatsjov ingrijpend bij. De Sovjet-Unie bevond zich in 1985, het jaar dat Gorbatsjov de macht overnam, niet in een terminale crisis. Gorbatsjov had een reeks mogelijkheden, en hij koos voor de optie die moed en verbeeldingskracht vereiste: vergaande hervormingen. Deng deed hetzelfde, maar dan anders, en vooralsnog met veel betere resultaten.

Beide leiders herstelden een vorm van collectief leiderschap, dat in China overigens een langer leven beschoren lijkt dan in Rusland. Het meest in het oog springende verschil is de wijze waarop politieke opvolging wordt geregeld. In China slagen de communistische leiders er sinds enkele decennia in de machtsopvolging collectief en geordend te regelen, terwijl Rusland al weer lijkt vervallen in de gewoonte van de eeuwige leider – totdat de dood of de staatsgreep ons scheidt.

Van alle huidige politieke machthebbers vertoont Vladimir Poetin misschien wel de meeste trekken van het sterke leiderschap dat Archie Brown zo bekritiseert. Vreemd derhalve, dat de Russische president nauwelijks in het verhaal voorkomt. Geen enkele leider na Mussolini heeft zijn fysiek in de strijd gegooid zoals Poetin dat doet. Hij judoot, vliegt, duikt, en rijdt paard – bij voorkeur met ontbloot bovenlijf. Tijgers, beren, vissen en antieke vazen, alles en iedereen moet eraan geloven. Weinig leiders hanteren de grove machotaal die Poetin in het openbaar bezigt. Niemand maakt zich zo druk over zijn/haar mannelijke stijl van regeren als Poetin. Poetin is de spreekwoordelijke ‘sterke leider’, en als de strekking van Browns The myth of the strong leader juist is, dan zal dat Rusland behalve een schiereiland voor ruim 4 miljard per jaar, niet veel opleveren.