Een blok aan het been van Obama

De Iraakse premier Maliki kwam, zoals veel regimes, dankzij de VS aan de macht. George W. Bush zag zichzelf als zijn mentor. Maar Maliki bleek geen verzoener en Obama verloor zijn vertrouwen in hem.

De Iraakse premier Nuri al-Maliki (links) en de Amerikaanse presidentObama voor het begin van een gezamenlijke persconferentie in het Witte Huis in 2009.
De Iraakse premier Nuri al-Maliki (links) en de Amerikaanse presidentObama voor het begin van een gezamenlijke persconferentie in het Witte Huis in 2009.

‘Amerika kiest de leiders van Irak niet”, zei president Barack Obama donderdag op een persconferentie. Het was een zin waarbij schrijver Stephen Kinzer moest grinniken. Even dacht hij terug aan hoe Nouri al-Maliki, de premier van Irak, in 2006 aan de macht was gekomen. Hij dacht aan Hamid Karzai, de president van Afghanistan. Aan Manuel Noriega, de alleenheerser van Panama tussen 1983 en 1989. De sjah van Iran. Leiders die door de Verenigde Staten in het zadel werden geholpen. En Amerika kiest geen buitenlandse leiders?

Obama’s probleem in Irak is typerend, zegt Kinzer (62). De schrijver, oud-journalist van The New York Times, schreef in 2006 het boek Overthrow, over de vele regime changes waarin Washington de afgelopen eeuw de hand heeft gehad. „Van buitenaf opgelegde veranderingen hebben zelden het beoogde effect. Dat is in Irak niet anders. Maliki was ooit de hoop van Amerika om Irak een stabiele natie te maken voor alle bevolkingsgroepen. Nu is hij een blok aan Obama’s been.”

Obama zei dat hij nog vertrouwen heeft in de Iraakse premier Maliki, als hij de sunnieten, shi’ieten en Koerden van Irak maar weet te verenigen. Maar achter de schermen probeert de regering-Obama de premier van Irak weg te krijgen. Ingrijpen in de oorlog tussen het Iraakse leger en de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS) heeft geen zin, is de Amerikaanse inschatting, zolang Maliki de baas is in Bagdad. Onder het bewind van de shi’itische premier werden sektarische tegenstellingen vergroot, waardoor de sunnitische minderheid zich achtergesteld voelt. Nu instappen in de oorlog betekent partij kiezen voor de shi’ieten, en tegen de sunnieten.

Amerikaanse diplomaten voeren nu gesprekken met sunnitische, shi’itische en Koerdische partijen om een vervanger te vinden die acceptabel is voor die bevolkingsgroepen. Volgens The New York Times is in die gesprekken de naam van een oude bekende gevallen: Ahmed Chalabi. Deze voormalige balling, die nauwe banden had met de neoconservatieven in Washington, overtuigde de regering-Bush ervan dat Saddam Hussein massavernietigingswapens zou bezitten. Later, als leider van het Iraaks Nationaal Congres, zag de shi’iet Chalabi toe op de de-Ba’athificatie van de Iraakse overheid, een maatregel die veel kwaad bloed zette bij de sunnieten. Complicerende factor: Chalabi gaf later toe dat hij over de wapens gelogen had.

Het begon in 1893

Deze wanhopige zoektocht naar een geschikte leider, zegt Stephen Kinzer, is typerend voor de recente Amerikaanse buitenlandse politiek. Tussen 1893 en 2003 werden veertien regeringen afgezet door actief Amerikaans ingrijpen. Het begon in 1893 met een georkestreerde coup in het toen nog onafhankelijke koninkrijk Hawaii. Grenada volgde, Panama, Afghanistan, Irak. „Soms speelden economische belangen mee, later was de Koude Oorlog bepalend, maar in de wereld na 11 september 2001 maakte ook iets messianistisch zich van ons meester”, zegt Kinzer. „We willen landen vertellen hoe ze moeten leven. Het is voor een Amerikaan moeilijk te geloven dat ons model van democratie niet overal werkt. Irak, een complex etnisch en religieus land, was de plek waar we dat wilden bewijzen, en daar betalen we nog een prijs voor.”

Een regime laten vallen is nog relatief eenvoudig. Kinzer: „Pas echt lastig is de tweede fase, als een pro-Amerikaanse leider wordt aangewezen, of met wat Amerikaanse hulp wordt gekozen. In het verleden telden, ook in Irak, maar twee criteria. Een leider moet Engels spreken en de Amerikaanse belangen dienen. Het is onmogelijk om ook je eigen land tevreden te houden, waardoor deze leiders vaak veranderen in despoten.”

Amerika hielp zulke leiders aan de macht. Manuel Noriega is daar een bekend voorbeeld van. Hij speelde een voor de Verenigde Staten nuttige rol in de Koude Oorlog, en kon met Amerikaanse hulp in 1983 de macht grijpen in Panama. In de jaren erop werd Panama het centrum van drugshandel. Zes jaar later werd hij na een Amerikaanse inval opgepakt en gevangengezet. Sommige heersers kunnen ongestoord blijven zitten. Anastasio Somoza, alleenheerser van Nicaragua tussen 1936 en 1956, bezat grote delen van zijn land, en deed ermee wat hij wilde. Volgens de overlevering noemde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Sumner Welles hem een „bastard”. Hierop zou president Roosevelt gezegd hebben: „But he’s our bastard!”

‘Bastard’ Maliki

Voordat Nouri al-Maliki de bastard van de Amerikanen werd, genoot hij nog vertrouwen in Washington. Hij werd in 2006 premier na druk van president George W. Bush. Irak maakte een golf van aanslagen en sektarisch geweld mee. Kandidaat-premier Ibrahim Jaafari diende volgens Bush te veel de shi’itische belangen. Jaafari werd ontslagen, waarna de Amerikanen in Irak op zoek gingen naar een nieuwe premier. Er werd gezocht in kringen van de shi’itische Dawa-partij, omdat shi’ieten de meerderheid vormen in Irak. Maar de Amerikaanse ambassadeur in Irak, Zalmay Khalilzad, wees een kandidaat af, omdat hij te nauwe banden met Iran zou hebben. Een CIA-agent, beschreef oorlogsjournalist Dexter Filkins onlangs in The New Yorker, kwam met een andere kandidaat: Nouri al-Maliki.

Net als veel Iraakse leiders met wie de Amerikanen zaken deden, kende Maliki zijn eigen land niet goed. De shi’itische leider was Irak ontvlucht in 1979, en kreeg in ballingschap de doodstraf. Hij woonde in Jordanië en Syrië, en keerde pas na de val van Saddam Hussein terug. Hoewel hij vrij onbekend was, dacht de CIA dat hij kon samenwerken met andere bevolkingsgroepen. Bush zag zichzelf als Maliki’s mentor, schrijft hij in zijn memoires. Hij vertrouwde hem, en belde hem regelmatig om een vriendschap op te bouwen. Bush: „Als ik zijn vertrouwen had gewonnen, zou ik hem beter kunnen helpen moeilijke keuzes te maken.”

De laatste jaren verloor de regering-Obama alle vertrouwen in Maliki. Hij sloot sunnieten en Koerden uit, sloeg protesten neer en gebruikte volgens Amerikaanse inlichtingen zijn leger steeds meer om sektarische conflicten uit te vechten. Hij is, kortom, deel van het probleem geworden, in plaats van de oplossing. Robert Gates, oud-minister van Defensie onder Bush en Obama, zei onlangs: „We gaven de Irakezen een gouden kans. Maar Maliki is veel minder de verzoener geworden dan we hoopten, en veel meer een sektarische leider. Hij is steeds vijandiger voor de sunnieten geworden.”

Parallellen met Afghanistan

Maar een heerser die Amerikanen zelf in het zadel hebben geholpen, zegt Stephen Kinzer, laat zich niet zomaar afzetten. Kinzer: „Er zijn veel parallellen te trekken met Afghanistan. We creëerden daar een westerse vorm van democratie, met parlementsleden, een president en een oppositie. Dat was de Afghanen totaal vreemd. Niet de beste leiders kwamen bovendrijven, maar drugsbazen en militieleiders.”

Hamid Karzai, de Afghaanse president in wie Bush aanvankelijk vertrouwen had, ging tot frustratie van de Amerikanen steeds meer zijn eigen gang. Dit jaar treedt hij af, omdat hij volgens de grondwet niet langer mag regeren. In Washington is de opluchting merkbaar.

Ook van Maliki zijn de Amerikanen niet zomaar af. Shi’itische leiders in Irak scharen zich achter hun premier, die heeft beloofd de sunnitische opstand hard neer te slaan. Het machtige buurland Iran heeft echter ook zijn bedenkingen over Maliki. De premier wil zijn derde regeertermijn beginnen, maar de Amerikaanse regering heeft al laten merken dat zolang hij er nog zit, Iraakse verzoeken om luchtaanvallen op ISIS-doelen niet worden ingewilligd. De man die een sprongetje maakte van schrik toen de Amerikanen hem vroegen premier te worden, weigert nog langer naar Washington te luisteren.