Rome zette de wissels om voor de Europese cultuur

Waar liggen nu écht de wortels van de Europese cultuur? Met name bij de Grieken of bij de Romeinen? In een spannend essay filosofeert Brague over het onderscheid tussen ondergane invloed en aanvaarde inspiratie.

Hoewel mensen verschillende biologische klokken hebben, doen we alsof iedereen ochtendmens is. Kinderen moeten vroeg naar school, ook al is bekend dat ze op dat moment weinig opnemen. Als avondmensen latere kantoortijden konden krijgen, was de ochtendspits veiliger. We houden zo vast aan een dagritme dat stamt uit een oude, agrarische samenleving, zelfs nu het, eeuwen later, contraproductief is. De koe leverde geen half werk toen ze de mens africhtte.

Het is maar één voorbeeld van de wijze waarop samenlevingen uit het verleden invloed hebben op de onze. Eeuwenlange culturele continuïteiten kúnnen bestaan. Zo bezien is het niet vreemd dat er mensen zijn die aannemen dat onze cultuur niet is geboren op het moment waarop in de vroege negentiende eeuw de industrialisatie alles veranderde, maar haar wortels eerder heeft, in de Grieks-Romeinse Oudheid.

Hoe bepaal je echter zoiets? Vaak wijst men op overeenkomsten tussen toen en nu. Er zijn talloze publicaties die de antieke erfenis zo documenteren. Teleac besteedde er ooit een cursus aan.

Een eerste probleem met deze benadering is echter dat in de praktijk vaak twee zaken worden verward. Enerzijds ondergaan we daadwerkelijke invloed op ons gedrag: in het verleden ontstane normen leiden ons, soms zelfs tegen ons belang in, in een bepaalde richting. Anderzijds is er inspiratie, waarbij we bewust aansluiting zoeken bij een culturele traditie. Hoe artificieel dit laatste eigenlijk is, zien we als iemand ongebruikelijke keuzes maakt, zoals de zwarte New Yorker in Jarmusch’ film Ghost Dog, die ervoor kiest zich door de Japanse samoerai-erecode te laten inspireren.

Onloochenbaar bestaan

Het onderscheid tussen ondergane invloed en aanvaarde inspiratie is belangrijk. Het onloochenbare bestaan van een Europese traditie waarin kunstenaars, geleerden, gelovigen en anderen inspiratie zoeken bij de antieke culturen, documenteert dat Europeanen de Oudheid belangrijk vinden. Boeken over artistieke ontleningen documenteren wat Europeanen over hun oorsprong denken, maar dat is iets anders dan dat dit tijdvak werkelijk invloed uitoefent.

Een tweede probleem met deze benadering is dat voor elke overeenkomst een tegenvoorbeeld bestaat en dat het ene voorbeeld belangrijker is dan het andere. Je zou willen dat je een uit de klassieke Oudheid stammend kader kunt benoemen dat alleen toen en alleen daar is ontstaan, dat sindsdien steeds in Europa aanwezig is geweest en dat reële invloed uitoefent.

De Franse filosoof Rémi Brague stelt in Europa, de Romeinse weg dat dat er inderdaad is: wij hebben van de Romeinen overgenomen dat we erkennen te steunen op andere culturen. De Romeinen claimden namelijk weinig originaliteit en namen zonder moeite zaken over van met name de Grieken. De Europeanen hebben de afgelopen eeuwen weinig anders gedaan: wij claimen immers dat ons recht stamt uit Rome, dat onze kunst uit Griekenland komt en dat onze waarden stammen uit de joods-christelijke traditie. Wij zijn gevormd door de Romeinen doordat we van hen bescheidenheid leerden.

Het aardige is dat Brague op die manier de tegenstelling tussen ondergane invloed en aanvaarde inspiratie zinledig maakt: de bereidheid inspiratie te aanvaarden is nu juist een uit de Oudheid stammende invloed. Brague stelt ook intrigerende vragen: is eurocentrisme bijvoorbeeld wel een wezenskenmerk van de Europese cultuur?

Creatieve genieën

Interessant is verder dat hij voortbouwt op een visie op de Oudheid die al zo’n tweeënhalve eeuw in onbruik is, namelijk dat wij vooral veel verschuldigd zijn aan Rome. Dat was vanaf de Italiaanse Renaissance de gebruikelijke visie geweest op het verleden, maar vanaf het midden van de achttiende eeuw raakte het idee in zwang dat we meer verschuldigd waren aan de Grieken, de creatieve genieën van de oude wereld. Brague ontkent hun creativiteit allerminst – zijn betoog veronderstelt immers dat aan Rome een volk voorafging waarvan het iets kon overnemen – maar stelt wél dat in Rome de wissels voor de Europese cultuur zijn omgezet op beslissende wijze.

Europa, de Romeinse weg is boeiend en wellicht is de geboden analyse ook juist, maar hoe bewijs je zoiets? Brague maakt zich van het probleem af door zijn boek aan te duiden als een essay. Uiteraard staat het filosofen vrij te speculeren, maar de vraag naar een empirische onderbouwing is legitiem. Er is al te veel geklets over de aard van de Europese beschaving en nog meer luchtfietserij over de relatie tussen onze cultuur en die van de oude Grieken en Romeinen. Voor een echte bijdrage aan de discussie over Europa zou je een boek willen hebben dat sociaalwetenschappelijke generaliseringen beter onderbouwt.

Dat laat onverlet dat het boek de moeite waard is. Ongeacht waar de wortels van de Europese cultuur liggen, is het een belangrijke kwestie wat Europa nu eigenlijk is. Die vraag is interessanter dan de actualiteit van de Europese eenwording. Ze is namelijk alleen op te lossen door een manier te ontdekken om de continuïteit van culturele identiteiten empirisch te toetsen. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen plaatste die thematiek op de Nationale Wetenschapsagenda. De materie is erkend belangrijk.

Die prioriteitsstelling betekent dus dat een antwoord niet in zicht is. Bragues boek is dus óf prematuur óf z’n tijd vooruit. Ongeacht of hij gelijk heeft, illustreert hij in elk geval hoe spannend de grote sociaal-wetenschappelijke thema’s zijn.