Laatste woorden

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits
Illustratie Eliane Gerrits

De American Philosophical Society in Philadelphia is het oudste geleerde genootschap in Amerika. Bij mijn bezoek mag ik een bijzonder document inzien: de originele reisverslagen van Lewis en Clark. Dit avontuurlijke tweetal vertrok in 1804 in opdracht van president Jefferson vanuit St. Louis op expeditie naar het westen. Officieel om kennis van dit nog onbekende gebied te vergaren, onofficieel om daar de Amerikaanse vlag te planten opdat de dollars zouden volgen. In kano’s dreven ze de Missouri af.

In de 28 maanden dat ze weg waren, legden ze 8.000 mijl af en schreven een reisverslag van een miljoen woorden. Het werd de odyssee van Amerika. Een heldenverhaal over een reis naar het onbekende, compleet met boze monsters, onverwachte plotwendingen, heftige ruzie en daden van compassie. En net als Odysseus waren ze zo lang van huis, dat hun familie hen dood waande.

De dagboeken die ik met witte handschoenen aan inzie, werden de hele reis bewaard in tinnen blikken. Eén keer sloeg hun kano om. De wegdrijvende boeken werden op het nippertje gered door Sacagawea, een meertalige indiaanse vrouw die als tolk bij de expeditie was gevoegd.

Lewis en Clark waren gefascineerd door de vele onbekende talen die ze onderweg hoorden. Ze vroegen de indianen naar woorden en hun betekenissen en noteerden die nauwgezet in hun precieze schuinschrift. „E-cu-la”, schrijft Clark fonetisch, „betekent walvis. E-pe-ea, buizerd.” Dit alles vulden ze aan met prachtige pentekeningen.

Van het respect van Lewis en Clark voor de indianen en hun talen bleef de jaren daarna weinig over. De Navajo-indiaan Chester Nez, geboren in 1921 in New Mexico, moest op de kostschool waar zijn vader hem heenbracht zijn mond spoelen met vieze bruine zeep als hij Navajo sprak en anders kreeg hij wel een pak slaag. Hij diende zich voor zijn moedertaal te schamen.

Het was vanuit deze school dat Nez door de Amerikaanse marine in 1942 werd gerekruteerd. Tot zijn verbazing, want indianen werden toen niet gezien als volwaardige burgers en hadden geen stemrecht. Maar al gauw werd Nez duidelijk waarom het leger in hem geïnteresseerd was. Het was hun te doen om zijn taal, het eerder zo verfoeide Navajo. De marine wilde die als basis gebruiken voor een codetaal. Tot dan toe was elke codetaal door de Japanners gekraakt. Maar het Navajo, waarvan niets op schrift stond, werd gezien als zo complex, dat het een kans maakte.

Nez werd samen met andere Navajo dertien weken opgesloten om deze geheimtaal te ontwikkelen. Het lukte hen. De eerste versleutelde boodschap die Nez uitzond was: „Anaai (vijand) naatsosi (Japans) beeldooh alhaa dildoni (machinegeweer) nishnaajigo nahdikadgo (rechts van je). Diiltaah (vernietig).”

De codetaal werd nooit gekraakt en droeg bij aan de overwinning van de Verenigde Staten in de Pacific. Het geheime eliteclubje kwam later bekend te staan als de Navajo Code Talkers.

Vorige week overleed Nez, op 93-jarige leeftijd, de laatste van de groep van de originele 29 Code Talkers. Navajo is nu een bedreigde taal, maar met andere indianentalen gaat het nog slechter.

Van de Mandan-indianen, de stam die Lewis en Clark van de hongerdood redden in hun eerste barre winter, is nog één persoon over die de taal vloeiend spreekt. De 83-jarige Edwin Benson, die in het Fort Bertholdreservaat in Noord-Dakota woont. Er wordt door het Tribal College aldaar hard gewerkt om zijn taal te documenteren, net als Lewis en Clark destijds deden.

Een treurige race tegen de klok.