Opinie

    • Youp

Op Schiphol

None

Bracht gisteren een vriend naar Schiphol. Hij ging een weekje naar Bonaire. Ik liep met hem mee tot vlak bij de incheckbalie. We lachten wat over de door Brazilië gewonnen openingswedstrijd van het WK en vroegen ons af wie er eigenlijk nog gelooft in het door en door corrupte voetbal. Hoeveel heeft die rare Blatter aan die Japanse scheids betaald? En wat krijgt die Kroatische keeper van de gokchinees voor zulke opzichtige blunders? Jongensgesprek dus. Mijn vriend vroeg waar mijn stukje deze week over zou gaan. Ik zei dat het ingewikkeld was omdat ik niks over Spanje-Nederland kan zeggen. Als ik schrijf moet de wedstrijd nog beginnen en als het in de krant staat is het potje al geweest. Een meneer mengde zich in het gesprek. De man sprak sappig Haags. Een taaltje waar ik zeer van hou. Hij ging ook naar Bonaire. Moest er even uit. Zat er helemaal doorheen. Was steward in het stadion van ADO Den Haag en had twee weken hockeypubliek begeleid. Gek werd ‘ie ervan. Of ik wel wist wat dat inhield? Hij mocht het mij vertellen.

„Het publiek komt bij het stadion en gaat gewoon in de rij staan. En in die rij staan ook supporters van de tegenstanders. En ze praten gewoon met elkaar. Engelsen met Duitsers, Spanjaarden met Belgen. Geen onvertogen woord. In het stadion gaan ze zonder probleem op het stoeltje zitten dat op hun kaartje vermeld staat. En ze moedigen hun team aan. Zonder te schelden op de tegenstander. Geen enkele speler van de andere partij heeft een moeder die hoer is. Niet een scheids is homofiel en mist een zadel op zijn fiets. Bij de dames dolen een stuk of wat potten rond en daar zegt ook niemand wat van. En na de wedstrijd gaan de supporters gewoon met elkaar drinken. Bier. Veel en vrolijk. En er lopen geen gefrustreerde ex-hockeyers rond die in een praatprogramma de bondscoach avond aan avond voor oetlul of mafkees uitmaken. En er is geen ME. Er zijn geen charges. Geen gewonden.”

Hij was gevlucht. Hij moest op reis. Hij kon de ontspanning niet aan. Ik wenste hem een prettige vakantie.

Opeens stond er een vrouw bij ons. Een aardige vrouw. Of we naar Bonaire gingen. Ik niet. Mijn vriend wel. Of mijn vriend een beetje op haar man kon letten. De man was een tragisch geval. Een jonge alzheimerpatiënt. Hij ging naar zijn huis op Bonaire. De man riep dat hij naar Sint Maarten moest. Daar stond zijn huis. Een schitterende villa aan zee. Zijn vrouw zei zachtjes dat haar man het allemaal niet meer wist. Maar het was Bonaire. De man riep dat hij het zelf betaald had. Eerlijk verdiend. Zijn vrouw lachte en zei tegen haar man dat ik meneer Van ’t Hek was en dat die hem waarschijnlijk niet helemaal geloofde. Dat eigenlijk niemand hem geloofde. Dat iedereen vond dat niet hij, maar andere mensen zijn villa betaald hadden. Pas toen herkende ik hem. Het was Eric Staal. Die ordinaire gauwdief van Vestia die met behulp van twee vriendjes de kas geroofd had en die donderdag nog heel gewiekst tegen de enquêtecommissie zat te bazelen. Mevrouw Staal zei dat het geen kwestie van gewiekstheid was. Haar man was echt dement. Zwaar dement. Hij had de zaak inderdaad voor miljarden het schip in laten gaan, maar dat kwam omdat hij het echt niet meer zag. En dat hij op het eind nog meer dan drie miljoen mee gegraaid had, terwijl hij al bijna vier miljoen aan pensioen had ontvangen, was geen opzet. Dement. Zwaar dement. Of mijn vriend hem wilde begeleiden naar Bonaire.

„Curaçao”, riep Eric. Aruba vond hij ook goed. Toen zag ik dat zijn vrouw gelijk had. Deze man was zwaar dement. Alles vergeten. Ze vroeg of ik dat zaterdag alsjeblieft in de NRC wilde schrijven. Het zou hem zo helpen. Het zou de mensen milder stemmen. Hij weet het echt niet meer. Ze kuste hem op zijn kale bol en wenste hem veel plezier op Bonaire.

„Sint Eustatius”, stamelde hij en fluisterde toen verdrietig tegen mij: „Dag meneer Finkers!”

In de parkeergarage wenste ik mevrouw Staal veel sterkte. Toen vroeg ze wat ik van Spanje-Nederland dacht. Ik gok 1-5.

Hoe ik dat wist?

Van een Chinees.

    • Youp