Wat weten we nou over Baktrië en Gandara?

Lastig om de oudheid te bestuderen in gebieden als Afghanistan en Punjab, waarover nauwelijks teksten voorhanden zijn. Zo’n onderzoek begint met munten en heersers, en dan volgen hiaten, zo blijkt helaas.

Een theehuis (chaikhana) tussen de zuilen van wat een Grieks-Afghaans museum moet worden en rechts de Dharmarajika-stoepa uit de derde eeuw in Taxila, Punjab, Pakistan
Een theehuis (chaikhana) tussen de zuilen van wat een Grieks-Afghaans museum moet worden en rechts de Dharmarajika-stoepa uit de derde eeuw in Taxila, Punjab, Pakistan Foto’s Patrick Robert/Sygma/Corbis

We associëren de Griekse Oudheid doorgaans niet met Afghanistan of de Punjab. Ten onrechte, denkt de Amerikaanse onderzoeker Frank Holt, die zich al jaren bezighoudt met wat destijds ‘Baktrië’ en ‘Gandara’ heette. Lost World of the Golden King is zijn recentste en interessantste boek, maar anders dan zijn eerdere publicaties gaat het minder over de Oudheid dan over haar bestudering. Zo toont Holt de oudheidkundige disciplines op hun best.

Het centrale thema in de vaktheorie is het gierende informatiegebrek, en de geschiedenis van de disciplines valt te lezen als een reeks pogingen deze handicap te overwinnen. Aan de geschreven bronnen werden eerst munten en inscripties toegevoegd, vervolgens etnografische vergelijkingen en kunstvoorwerpen, daarna archeologische vondsten. De vergelijkend-oorzakelijke verklaringsmodellen die de oogst vormen van de twintigste eeuw, kunnen inmiddels worden verbeterd met computersimulaties. Het datatekort dwingt de oudheidkundige van alle markten thuis te zijn. Dat geldt zeker voor Afghanistan en de Punjab, waarover nauwelijks teksten zijn. Weliswaar hebben archeologen enkele plaatsen wetenschappelijk onderzocht, maar meestal komen ze niet verder dan noodopgravingen. Het voornaamste bewijsmateriaal bestaat uit munten, en daarmee valt de geschiedenis van het onderzoek grotendeels samen met die van de numismatiek, de wetenschap van het oude geld.

Spreadsheet

In de eerste fase, schrijft Holt, streefde men ernaar bij elke uit de geschreven bronnen bekende koningsnaam een afbeelding te vinden. Al gauw was dit doel bereikt, en méér dan dat: er waren munten ontdekt van tot dan toe onbekende heersers. In de volgende fase probeerden de numismaten een soort spreadsheet te maken van alle heersers om zo vast te stellen wie waar en wanneer heersten en welke familierelaties bestonden. Het perfecte overzicht kan nooit worden geconstrueerd, maar door geduldig catalogiseren – fase drie – groeide de betrouwbaarheid. Zelfs in een specialisme met datagebrek kan kwantiteit leiden tot kwaliteit. Overzichten van vorsten, koninkrijken en ruwe regeringsperiodes zijn onbevredigend. Sommige onderzoekers probeerden een verhaal te vertellen, waarbij de vorsten nu eens eenzijdig werden geplaatst in de context van de Griekse geschiedenis en dan weer eenzijdig in het Indische verleden. Holt vindt deze narratieve numismatiek te speculatief en vermeldt reële excessen: je kunt bijvoorbeeld munten niet gebruiken als bewijs dat deze of gene heerser een sterk ontwikkelde persoonlijkheid bezat. Fysiognomie helpt niet om de grenzen van het kenbare te verleggen.

Het onderzoek naar Afghanistan en de Punjab werd vernieuwd toen archeologen de antieke steden Ai Khanum en Taxila opgroeven. Voor het eerst hoefden oudheidkundigen zich niet te beperken tot koningen en muntmeesters en konden ze zien hoe gewone mensen leefden. Inscripties hielpen om hun gedachtewereld te reconstrueren.

Taliban

In de jaren zeventig leek de bestudering van het antieke Baktrië en Gandara aansluiting te vinden bij andere onderzoeksterreinen. Men had kunnen beginnen de continuïteit naar de Middeleeuwen te onderzoeken of zou meer verbanden hebben kunnen leggen met west en oost. De Sovjet-invasie en de Taliban verhinderden echter dat de eenzijdigheid werd overwonnen. Onderzoek was moeilijk, hoewel er duizenden geplunderde munten en sieraden op de markt kwamen. Holt behandelt enkele noodopgravingen en rondt af met recente oriëntaties.

Lost World of the Golden King is daarom een schrijnend boek. Het gaat minder over wat we wél dan over wat we niet weten. De dreiging van geweld is steeds aanwezig. Bovendien raken de conclusies almaar niet bekend buiten een heel kleine groep specialisten. Met even voorspelbare als catastrofale gevolgen.

Je zou na de eenzijdige oriëntaties immers hebben verwacht dat een bredere visie ingang zou vinden en inderdaad, de Afghaanse en internationale erfgoedinstellingen hebben inmiddels een minder selectieve belangstelling. Holt vermeldt echter ook dat de Amerikaanse soldaten in Afghanistan speelkaarten hebben met afbeeldingen van te beschermen erfgoed: de overgrote meerderheid is Grieks terwijl het middeleeuwse verleden er bekaaid afkomt. Niet alleen is dat gevaarlijk eenzijdig, maar het geeft bovendien de Afghanen het gevoel dat de culturele dienst van het Amerikaanse leger meer is geïnteresseerd in westers dan Afghaans erfgoed. Dat komt het draagvlak van de militaire missie niet ten goede. Dat is een ongemakkelijke observatie in een boek dat, door af te zien van een overzicht van de geschiedenis van de heersers van Baktrië en Gandara, sowieso niet gemakkelijk is. Holt weigert echter meer zekerheid te geven dan gegeven worden kán. Juist daarin ligt de kracht van het boek: het benadrukt hoe weinig we van de Oudheid kunnen weten én toont hoe wetenschap evolueert door er stug naar te blijven streven het informatiegebrek toch te overwinnen.