Vader hangt als spook boven het leven en het boek

Jaap Robben (1984) maakte naam met een paar goed ontvangen kinderboeken en een bundel kindergedichten. Zijn oversteek naar de volwassenenliteratuur, in de vorm van de roman Birk, gaat van start met een dijk van een drama, wanneer de vader van de achtjarige Mikael tijdens een zwempartij verdrinkt. Omdat het gezin op een afgelegen eiland in de Noordzee woont, met slechts één buurman, zijn Mikael en zijn moeder vanaf dat moment geheel op elkaar aangewezen.

Om die ouder-kindrelatie is het Robben dan ook te doen. Om de wijze waarop de verhouding tussen een moeder en haar zoon wordt vervormd en in zekere zin geperverteerd. Allereerst via de factor schuld, omdat Mikael een bepaalde mate van verantwoordelijkheid draagt voor zijn vaders dood. Met wie vervolgt de moeder haar leven nu eigenlijk? Met haar zoon of met iemand die haar haar man ontnam? Verrassenderwijs grijpt Robben deze ongemakkelijke vraag niet aan als leidmotief. Al vroeg in de roman maakt de moeder op tierende wijze duidelijk dat ze naar de laatste optie neigt.

Waar Robben meer op heeft ingezet is het schetsen van een sfeer van uitzichtloosheid en passiviteit. Wat bewoog het gezin, toen het nog intact was, überhaupt om op een eiland te gaan wonen? In terugblikken legt de vader aan Mikael uit dat er nét genoeg geld is om het met z’n drietjes uit te zingen, en als ze zuinig zijn heeft Mikael er later misschien ook nog wel genoeg aan. Ze lijken zich terug te hebben getrokken uit het wereldse leven. Maar wat als idylle moet zijn begonnen, slaat met de dood van de vader om in een roerloze nachtmerrie, met een moeder die steeds meer van haar zoon verlangt dat hij de rol van haar gestorven man invult. We volgen het duo een jaar of zeven, maar al die tijd worden er zo goed als geen plannen voor de toekomst gemaakt. De kleine vluchtkansen die zich voor Mikael aandienen drukt Robben voortijdig de kop in; hij biedt zijn personages én zijn lezer geen kans om zich aan dit benauwende experiment te onttrekken.

Als een verkenning van ongemakkelijke intimiteit is Birk zeer geslaagd. Hoe verder de roman vordert, hoe meer alles doordrenkt is van een beklemmende, incestueuze sfeer. Je mond zakt er regelmatig bij open, zonder dat Robben hiervoor een beroep hoeft te doen op plastische taferelen. Ook met zijn aanleg voor suggestie zit het wel goed. Diverse malen roept hij met een enkele zin een geschiedenis of een karakter op. Vooral de vader, die als een soort spook boven het boek hangt, weet hij met een paar uitspraken een volle tekening te geven. Des te vreemder is het dat de moeder, die een veel prominentere, directe aanwezigheid is, geen werkelijke contouren krijgt. Stilistisch gezien permitteert Robben zich weinig frivoliteit of woestheid; een echte Robben-zin valt er zo een-twee-drie nog niet uit het boek te halen. Dat risicoloze verhoudt zich niet bevredigend tot een jongen die én pa zag sterven én ma in bed bijkans van zich af moet slaan.