Marokkaanse afkomst heeft met criminaliteit niets van doen

Crimineel gedrag komt door de buurt waar je woont en de vrienden die je er maakt. Dat is ècht alles. Het vingerwijzen naar de islam, naar de Marokkaanse of Antilliaanse cultuur, naar onmachtige ouders – het kan ophouden want het is feitelijk niet waar.

Ik las deze conclusie van een langjarig onderzoek onder Rotterdamse straatjeugd tot nu toe pas in twee kranten, waaronder deze. Maar het is volgens mij wel het belangrijkste nieuws over jeugdcriminaliteit in jaren. Ook van het soort dat meteen weer wegwaait in het publieke voorkeursdenken van dit moment. Onder algemene tevredenheid werd begin deze eeuw immers een taboe doorbroken. Dat van de etnische misdaad, de criminele Marokkaanse onderklasse, waarin ‘we eindelijk’ de culturele oorzaken mogen benoemen. Eindelijk revanche op de multiculti’s met hun roze bril, etc. Het gebrekkige normbesef, het schelden, sissen, jatten en roven, is een uitvloeisel van een achterlijke cultuur en een verkeerde religie. Zo zit het. Waarna een giftige kluwen van vooroordelen en xenofobe sentimenten discriminatie op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en in politiegedrag veroorzaakte.

Toevallig kwam het Sociaal Cultureel Planbureau in maart met een onderzoek naar ‘ervaren discriminatie’ waarin droog werd vastgesteld dat hier een ‘negatief klimaat’ bestaat omdat de helft van de Nederlandse bevolking al twintig jaar vindt dat er te veel buitenlanders zijn. Inderdaad, ‘minder, minder, minder’ komt niet uit de lucht vallen. Werkgevers en ordehandhavers zien Marokkanen en Antillianen vaak per definitie als overlastgevers, onbetrouwbaar en geneigd tot crimineel gedrag. Over het volledig ontremde politieke debat waarin generaliseren troef is en criminaliteit en cultuur uitwisselbaar, heb ik het maar niet. Waarbij dan stelselmatig de oververtegenwoordiging van allochtonen in de gevangenissen als ultiem zie-je-wel argument werd gebruikt.

In dit lange termijnonderzoek, van Bureau Driessen over de ‘rol van achterstanden, ouders, normen en vrienden’ worden korte metten gemaakt. Op wijkniveau blijkt die oververtegenwoordiging nauwelijks te bestaan. Noch in de politiecijfers, noch in zelfrapportage is er een significant verschil tussen blank en gekleurd wangedrag. Er is hooguit sprake van een ‘zeer geringe oververtegenwoordiging’. Die wordt „waarschijnlijk veroorzaakt door de wijze waarop de sociale omgeving reageert op allochtone jeugd”.

Er wordt over Marokkanen en Antillianen eerder geklaagd en eerder aangifte gedaan. De politie zal tegen een allochtone jongen sneller optreden dan tegen een blanke jongen „onder vergelijkbare omstandigheden”. Oorzaak: diep gewortelde opvattingen in de samenleving en dus ook bij de politie dat cultuur en etniciteit bepalende criminogene factoren zijn.

Allochtone jongens zijn inderdaad ‘miniem oververtegenwoordigd’, aldus het onderzoek. Maar etniciteit „heeft geen enkele relevantie voor hun criminele gedrag”. Er is expliciet uitgezocht of deze jongens extra risico lopen op crimineel gedrag door hun sociale positie, persoonlijke factoren, het gedrag van de ouders, hun religieuze of culturele achtergrond. Het antwoord bleek steeds nee. „Niet wat een jongere denkt is belangrijk, maar met wie hij optrekt”. Etnische groepen die onderling ‘anders’ zouden denken over criminaliteit bestaan niet.

Jeugdcriminaliteit van 12 tot 18 is louter een sociaal fenomeen en nauwelijks te herleiden tot individuele kenmerken. Pas na een jaar of zes beginnen persoonlijke factoren, zoals aanleg, een rol te spelen. En pas na het 22ste jaar kun je van criminelen spreken, afhankelijk van hun gedrag. Tot die leeftijd vertoont iedere adolescent in de onderzochte wijken crimineel gedrag: dat behoort volgens de onderzoekers ‘tot de normaliteit’. „Dit onderzoek bevestigt het nog eens.”

Ervaren agenten weten dat al lang, maar hebben nu dus een wetenschappelijk onderbouwd argument om met de jacht specifiek op jonge allochtonen op te kunnen houden. Het heeft geen zin – en je maakt ze er ook maatschappelijk mee kapot. Juist omdat de uitkomst van het onderzoek zo eenduidig is, zijn de beleidsaanbevelingen ook glashelder. Jeugdcriminaliteit voorkomen via kennisoverdracht en onderwijs is tijdverspilling. Met de kennis van normen en waarden is niks mis. Scholen zijn alleen relevant als ontmoetingsplaatsen, ook voor foute vrienden. Ook van pogingen om de rol van ouders te versterken hoeft weinig verwacht te worden – de rol van ouders houdt eigenlijk op rond het twaalfde jaar. Dat is een maatschappelijke trend, waarvan het de vraag is of de overheid daar wat aan kan doen.

Verder blijkt er nauwelijks verschil te zijn tussen type delict en dader: jongens die stelen of die geweld plegen verschillen niet wezenlijk van elkaar. Jeugdcriminaliteit blijkt een zelf versterkend fenomeen. Foute vrienden hebben méér invloed dan brave vrienden.

In het algemeen blijken factoren die jeugdcriminaliteit versterken krachtiger dan factoren die remmen of dempen. De alles bepalende factor voor crimineel gedrag zijn de buurt en de vriendennetwerken: belangrijker dan school of familie. Als de politie iets kan bereiken dan is het dus daar, in de buurt: met scherper toezicht en het verstoren van groepen, liefst in een vroeg stadium.

Verschil maken naar etniciteit is zinloos, omdat die in de buurten ook niet bestaat. Met projecten gericht op ‘Marokkaanse’ of ‘Antilliaanse jeugd’ kan beter opgehouden worden. Er zijn geen specifieke culturele achtergronden van crimineel gedrag gevonden. Criminaliteit is sociaal bepaald en buurtspecifiek. Niet cultureel of etnisch. Wat Al Gore dus een ‘onwelkome waarheid’ zou noemen.