Is een autistisch brein een extreem mannenbrein?

Jongens zijn vatbaarder voor de effecten van autisme-genen, bleek uit onderzoek. Is het autistische brein dan toch een ‘extreem mannelijk brein’?

Ruim vier keer zoveel jongens als meisjes hebben een vorm van autisme. En er zijn zelfs tien keer zoveel mannen als vrouwen met het syndroom van Asperger, een vorm van autisme waarbij het IQ normaal tot hoog is. Hoe komt het dat deze ontwikkelingsstoornis zo oneerlijk is verdeeld tussen de seksen?

Een team van Zwitserse en Amerikaanse genetici vond eerder dit jaar een antwoord in het DNA (American Journal of Human Genetics, 6 maart). De hersens van jongens zijn gevoeliger dan het meisjesbrein voor kleine genetische afwijkingen die tot autisme kunnen leiden. Ze onderzochten de genen van 762 families met een autistisch kind. Bij de knullen die de diagnose autisme hadden, waren veel minder risicogenen voor die stoornis te vinden dan bij meisjes met dezelfde diagnose. Een meisje moet dus veel meer genetische afwijkingen bij zich dragen voordat de aandoening tot uiting komt. De onderzoekers reppen van een beschermend effect bij vrouwen.

„Dit onderzoek laat overtuigend zien dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen in de genetische oorzaak van autisme”, zegt hoogleraar humane genetica Joris Veltman van het Radboud UMC. „We moeten dus rekening houden met dat man-vrouwverschil als we een genetische diagnose proberen te stellen.”

Systeembrein

De Britse psycholoog en autisme-expert Simon Baron-Cohen brak zijn hoofd al eerder over de oneerlijke verdeling. Hij opperde in 2002 een psychologische theorie. Gemiddeld, stelt hij, zijn de breinen van mannen meer ingesteld op systemen en regels, en de hersens van vrouwen op gezichten en gesprekken. Let wel, gemiddeld genomen. Het is een glijdende schaal; tussen het systeembrein aan de ene en het empathische aan de andere kant zijn over de hele linie zowel mannen als vrouwen te vinden. Het autistische brein is volgens Baron-Cohen een ‘extreem mannelijk brein’, een doorgeschoten variant van het systeembrein.

Vanzelfsprekend was deze stelling tegen het zere been van feministen. En inderdaad, de gevonden sekseverschillen zijn vaak heel subtiel, beaamt de Nederlandse psychobiologe Rosa Hoekstra. Zij werkt aan de Britse Open Universiteit en in het Autism Research Centre aan de Universiteit van Cambridge, waar Baron-Cohen directeur is. „De ene onderzoeker licht die kleine verschillen eruit, en de ander ziet juist de enorme overlap. Die is vaak wel 90 procent.” Maar behalve feministen zijn ook veel collega-wetenschappers nog niet overtuigd door de bevindingen van Baron-Cohen.

Eén van zijn onderzoeken laat zien dat pasgeboren jongetjes langer naar een mobile boven hun wieg kijken dan naar een vrouwengezicht. Bij meisjesbaby’s was dat juist andersom. Voor hem een bewijs dat jongens meer interesse in systemen hebben, en dat dit bovendien is aangeboren. Hij vermoedt dat dit komt door de marinade van het mannelijk hormoon testosteron voor de geboorte. Bij gezonde kinderen die door uiteenlopende oorzaken in de buik van hun moeder aan hoge concentraties testosteron waren blootgesteld, zag hij meer autistische trekken. Ze maakten minder oogcontact, kenden minder woorden, hadden minder interesses en op jonge leeftijd minder vriendjes

Het nieuwste onderzoek van Baron-Cohen (Molecular Psychiatry, 3 juni) ondersteunt dit idee. In een Deense biobank met 19.500 vruchtwatermonsters uit 1993 tot 1999 ontdekte hij dat veel van de 128 jongens die een diagnose in het autistisch spectrum hadden gekregen, in de baarmoeder inderdaad blootgesteld waren geweest aan hogere concentraties testosteron en andere mannelijke hormonen.

Baron-Cohen trof ook meer mensen met autisme aan onder wiskundestudenten, systeemdenkers bij uitstek, dan bij studenten geneeskunde, rechten of sociale studies. En autistische kinderen scoorden ook beter dan gewone kinderen op testjes die het ruimtelijk inzicht meten. Maar andere onderzoekers vinden dat juist niet.

Tot slot vond Baron-Cohen bewijs in technologiestad Eindhoven, waar relatief meer mensen wonen met een voorliefde voor systematisch denken. Als twee ‘systeemdenkers’ kinderen krijgen, lopen die meer kans op een autistische stoornis, was zijn idee. Inderdaad telde hij in Eindhoven per 10.000 schoolkinderen er 229 met een autistische stoornis. Een stuk meer dan in Haarlem (84) en Utrecht (57). Maar dit kan ook komen doordat de hoog opgeleide mensen in Eindhoven ouder waren toen ze aan kinderen begonnen. Een man van 45 jaar heeft al een 3,5 keer grotere kans op een kind met autisme dan een man van 24 jaar, liet een groot Zweeds onderzoek eind februari zien. Dat heeft met een systeembrein niets te maken.

Soapseries

Is dit nieuwe, genetische onderzoek een punt erbij voor Baron-Cohens theorie? Nog niet helemaal, zegt Hoekstra. „De mensen met autisme in dit onderzoek hebben ook een verstandelijke beperking, een IQ rond de 80. Dus we weten niet of er iets vergelijkbaars speelt bij autisten met een hoog IQ die Baron-Cohen vooral onderzoekt.”

Zelfs het gegeven dat er meer jongens dan meisjes zijn met autisme is misschien vertekend. Het kan zijn dat bij meisjes autisme minder goed herkend wordt. „Meisjes hebben vaak niet die kenmerkende uitvergrote interesse in bijvoorbeeld dino’s of treinen, maar hun beperkte interesse kan zich richten op zoiets als een soapserie”, zegt Hoekstra. „Soms leren ze systematisch hele scripts van soapseries uit hun hoofd. Daarvan leren ze dan ook weer hoe je je moet gedragen. Misschien zijn vrouwen zich meer bewust van hun autistische trekken.”

Er is dus meer onderzoek nodig. „Maar Baron-Cohen is een interessante collectie bewijslast aan het opbouwen”, vindt Hoekstra. „Zijn theorie heeft een grote invloed gehad op ons denken over autisme. Sommige mensen met autisme hebben ook talenten, beseft men nu. Het merendeel heeft geen baan, omdat het ze niet lukt in die sociale structuur te werken. Dat is zonde. Gelukkig zie je tegenwoordig meer bedrijven die beseffen dat mensen met autisme bijvoorbeeld heel goed zijn in software testen. Ze letten extreem goed op foutjes en vinden het niet erg om honderd keer opnieuw net een iets andere test te doen.”

    • Niki Korteweg