Mijn afdruk is meer hoef dan voet

In een aardse beeldtaal durft deze dichteres te zingen en te swingen. Zintuiglijk, persoonlijk, geestig en met zin voor avontuur raakt ze aan zeer uiteenlopende, kleine en veelomvattende onderwerpen.

Marjolijn van Heemstra
Marjolijn van Heemstra Foto Klaas Fopma/HH

Dichters die ook toneelteksten schrijven zijn vaak herkenbaar door hun uitgesproken dictie. Hun zinsritme neemt de toehoorder mee in wat wordt gezegd, en hun taal is dan ook even klankrijk als communicatief. In het theater is voordracht immers bovenal overdracht.

De poëzie van Marjolijn van Heemstra is een goed voorbeeld van deze typering. Het eerste gedicht van haar tweede bundel, Meer hoef dan voet, laat zich lezen als een monoloog. De cyclus ‘Bloed, slaap, liefde’ geeft zelfs regieaanwijzingen. Waarschijnlijk zijn deze teksten ook letterlijk onderdeel van het theaterstuk Garry Davis, dat Van Heemstra voor het Rotterdamse Ro Theater schreef. Het onderscheid tussen poëzie en toneeltekst is voor haar, denk ik, arbitrair.

Dit is een poëzierecensie, dus laten we het toneelgenre verder ongemoeid. Een oordeel over Van Heemstra’s tweede bundel vergt ook geen omweg. Meer hoef dan voet behoort zonder meer tot het allerbeste van de poëzieproductie van de afgelopen jaren.

Niet alleen door de overtuigende dictie en vanzelfsprekende regelval, maar ook door de onderwerpkeuze en de zeggingskracht waarmee die woorden krijgt. Een klinkklaar voorbeeld is het titelgedicht.

De hond verspert mij het pad, stok stijf, zijn tong

een roerloze vis tussen de tanden, zijn grom

een ondergronds geluid, als door lagen korst

gedempt

en ik denk aan de man die zei: We weten niet

waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,

duizend jaren, onttrokken aan het zicht.

We weten niet over welke rand ze tuimelden,

welke zee het laatste exemplaar verzwolg.

Hij noemde de kieuwslak met vijf plat te windingen,

de schrikvogel die liever liep dan vloog,

de majorcahaas, het reuzenhert,

niemand weet met zekerheid in welk bos,

welk veld het reuzenhert verdween.

De hond blaft naar mijn sporen,

in de verte zwaait een riem, een mens

die in mij een naaste herkent

maar ik weet dat de hond weet:

er zijn dieren verdwenen

en mijn afdruk is meer hoef

dan voet.

Van oergrond tot kosmos verkent Van Heemstra in deze bundel het verschijnsel dat leven heet. In het openingsgedicht bepaalt ze dadelijk vanuit welk perspectief ze dat doet: ‘in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm / terug naar het begin en een mens zich naar het einde; geen van beide / is in zicht, alleen dit tijdelijke midden.’

Zo’n groot, veelomvattend onderwerp verleidt al snel tot filosofische of godsdienstige bespiegeling. Voor dichters is dat een gevaarlijke verlokking, want wat zaad is voor traktaten is gif voor poëzie. Van Heemstra studeerde godsdienstwetenschappen, maar als dichter trapt ze niet in de val van abstractie. Daarvoor is haar poëzie te zintuiglijk en persoonlijk; wat ze beschrijft zien we door háár ogen, vanuit háár beleving. En kijken kan ze, geen indruk ontgaat haar. Ze is bovendien ook relativerend geestig, zoals wanneer ze een man beschrijft na diens beroerte: ‘Hij eet een nootje, fluit een wijsje, niks dan zomer in zijn hoofd. En wie niet komt die kan nog komen. En wie hem niet vergeeft, vergeeft hij ook.’

Dit is als een prozagedicht, zonder regelval genoteerd, maar het zingt en swingt. Vorm en inhoud staan hier paradoxaal tegenover elkaar, en ook dat getuigt van het professionele vermogen dat Meer hoef dan voet vertoont. Van Heemstra’s debuutbundel, Als Mozes had doorgevraagd (2010), beloofde het al, maar haar tweede bundel maakt het waar: haar gedichten zijn zowel in vorm als inhoud voller en breder geworden. Haar zin voor avontuur en risico werd eerder herkend, maar als dichter is ze nu nog gedurfder. Een goed voorbeeld daarvan is de beeldtaal in het gedicht ‘Pasar’.

Vertrouw ze niet die zeggen ‘het lichaam is

een tempel’. Het is een Oosterse avondmarkt,

mistig komen en gaan van karakters, de hele

rotzooi per kilo verkocht, Het gonst in de nauwe

sloppen van vreemde talen, dikke tongen,

er heerst een permanente schemer en wie

je ontmoet is nooit van wie je afscheid neemt.

Op zo’n markt kun je ook van en over je zelf niet zeker zijn. Voor die essentiële twijfel koos Van Heemstra tot slot van het vers een eigentijdse, volstrekt herkenbare metafoor. ‘Vorige week nog,’ schrijft ze, ‘bleek / mijn handschrift niet het mijne, uitgewisseld / doorverkocht, mijn handtekening niet herkend / door de scanner op het bankkantoor. Ik noemde / naam, geboortedatum, -plaats. Maar iedereen / kan wel zeggen, zei de vrouw achter de balie, / dat ze u zijn. En ze had gelijk.’

De mens is uiteindelijk spoorloos. De ruïnes van het Colosseum zijn daarvoor emblematisch, aldus Marjolijn van Heemstra in het gedicht ‘Rome’. Niet de laatste rochel, wanhoop en de panische drek van wie er vernietigd werd laten zich vastleggen op camera, ‘maar de steen die onbewogen bleef’.

Meer hoef dan voet verbaast zich over de onvolmaakte sporen van tijd en evolutie. Niet in het zwaarwichtige perspectief van wetenschap of creationisme, maar in aardse beeldtaal. Zo’n alledaagse verbazing over eeuwigheid is verfrissend nieuw.

    • Arie van den Berg