Brussel is niet hip, Brussel is relaxed

Berlijn is niet meer de coolste stad ter wereld, schrijven Duitse media // De komende weken verkent nrc.next Europese steden die het nieuwe Berlijn kunnen zijn // Deze week: Brussel

Een van de ‘Belgische oplossingen’ die David Helbich verzamelde.
Een van de ‘Belgische oplossingen’ die David Helbich verzamelde. Foto David Helbich

Een van de grootste verschillen tussen Brussel en steden als Berlijn of Amsterdam is dat je niet meteen ziet wie toerist is en wie local, vertelt de Duitse kunstenaar David Helbich (Berlijn, 1973). Hij kan het weten: hij verruilde in de jaren negentig Berlijn voor Amsterdam en verhuisde vervolgens in 2002 naar Brussel. Helbich prijst de ‘non-identiteit’ van de Brusselaars en de daarbij horende houding: „Het coole aan Brussel is dat niets hier cool of niet-cool is.” Volgens de online stadsgids Use-it wordt het woord branché (hip) zelfs neerbuigend gebruikt in Brussel. Wat je dan wel moet zijn? À l’aise (relaxed)!

Helbich en ik hebben afgesproken voor het beursgebouw in het hartje van de stad (‘The meeting point of Bxl’). De Duitser maakte met zijn fotoboek Belgian Solutions duidelijk dat hij een geweldig observator is van het alledaagse leven in Brussel en wordt sindsdien geregeld ingeschakeld als stadsgids. Terwijl we naar het Sint-Goriksplein wandelen voor een koffie, passeren we Amerikaanse toeristen, expats die werken voor de EU, Noord-Afrikaanse migranten, Vlaamse en Franstalige studenten, geboren en getogen Brusselaars en veel, heel veel auto’s. Het plein zelf – vol kleurrijke cafés waarvan enkele opgericht zijn door het Brusselse horecawonder Frédéric Nicolay – is een van de leukste plekken in het centrum om van de zon te genieten.

Na een week weet je nog niks

„De non-identiteit van Brusselaars geldt evenzeer voor de stad zelf”, vervolgt Helbich. Vrienden die hem bezochten in Amsterdam begrepen snel wat ze konden verwachten als ze een staathoek omgingen: grachten, schattige huizen, grote mensen. In Brussel is dat niet zo. Helbichs huidige bezoekers weten na een week nog altijd niet wat ze bezichtigen: een cultuurmetropool, een stad met veel migranten of een plek waar vooral zakenmensen en ambtenaren hun dagen slijten. Je hebt uiteenlopende wijken in de Belgische hoofdstad – van de Matongewijk met zijn grote Afrikaanse gemeenschap tot de Marollen met zijn dagelijkse antiek- en brocantemarkt.

Meestal hoef je een wijk niet eens uit om in een totaal andere wereld te komen. Om elke hoek wacht in Brussel mogelijk een verrassing. Zo lopen we een zijstraat in van de Boulevard Maurice Lemonnier, een van de weinige straten in het centrum waar je volgens Helbich „beter ’s nachts niet wandelt” en staan plots voor het sterrenrestaurant Comme Chez Soi. Als we bij de toeristische trekpleister Manneke Pis achteruitdeinzen voor een groep fotograferende Japanners, staan we plots in een straat die je in een achterbuurt verwacht.

Eilandjes binnen de stad

Ruimtelijke planning en stadsvernieuwing lijken historisch gezien niet de sterkste punten van de Brusselaars. Dit komt mede door het kluwen van bestuurlijke lagen in de stad. Helbich ziet er de voordelen van. Zonder ruimtelijke planning ontstaan er spontaan ‘eilandjes’ binnen het stadsweefsel, buurtjes waar iedereen elkaar kent. Een gemeenschappelijke taal is niet nodig. Brusselaars zijn meester in het zich redden met een mix van Frans, Nederlands, Engels of iedere andere taal waarmee je hen aanspreekt.

De Duitser groet voor de vijftiende keer een voorbij wandelende kennis en zegt dat Brussel een dorp noemen „een open deur is”, terwijl ik een sms’je krijg. Vier mensen blijken neergeschoten in het Joods Museum, een paar kilometer verderop. „Wil je net iemand vertellen hoe leuk Brussel is, gebeurt er zoiets”, mompelt Helbich geschrokken. Ik lees verder: De Belgische minister van Buitenlandse Zaken stond vlakbij het museum op het moment van de aanslag. Hij was het die de hulpdiensten belde. Helbich wijst me op een politica die achter ons aan de bar zit en een bekende acteur die langsloopt. „In Brussel moet je niet in specifieke plekken werken, eten of uitgaan om mensen uit andere milieus tegen te komen.” Brussel is inderdaad een dorp, maar wel een dorp met de complexiteit van een grootstad.