Veel Oosterse zeelui op de VOC-schepen

De VOC maakte veel gebruik van Aziatische bemanningsleden. En die werden goed betaald.

Dekzicht van een VOC-schip, met de grote mast en zeelieden in het want, door Jan Brandes, 1778
Dekzicht van een VOC-schip, met de grote mast en zeelieden in het want, door Jan Brandes, 1778 Collectie Rijksmuseum

Toen Cornelis de Houtman op 22 juni 1596 met vier schepen voor anker ging op de rede van Bantam, West-Java, keken zijn mannen hun ogen uit. Na de ontmoeting met de sjahbandar, de havenmeester van de sultan, kwamen tal van nieuwsgierige kooplieden aan boord: „We zagen Javanen”, schreef De Houtman in zijn journaal, „maar ook Turken, Chinezen, Bengali, Arabieren, Perzen, Gujarati en anderen.” De Nederlanders waren doorgedrongen in een eeuwenoud handelsnetwerk, dat zich uitstrekte van Aden tot de Molukken, van Japan tot Malakka.

De Verenigde Oost-Indische Compagnie, opgericht in 1602, veroverde zich met geweld een plaats in deze ontwikkelde maritieme wereld. Nadat J.P. Coen in 1619 Jacatra, een havenstadje ten oosten van Bantam, had platgebrand, stichtte hij op de rokende puinhopen Batavia. Die stad werd niet alleen het Aziatische hoofdkwartier van de VOC, maar ook een knooppunt van de zeehandel in Azië. De Compagnie werd daarin de grootste speler, al nam ze nooit meer dan 12 procent van de Aziatische handel voor haar rekening. Ze kocht Japans zilver in, betaalde daarmee Indiaas textiel dat weer gebruikt werd ter betaling van Indische specerijen voor de Europese markt. In de 17de eeuw was de VOC-vloot die voer tussen Aziatische bestemmingen vier à vijf keer groter dan de ‘retourvloot’, die de verbinding met Europa onderhield.

Op die Aziatische vloot, ontdekte Matthias van Rossum, onderzoeker aan het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis, voeren gemengde bemanningen van Europeanen (Nederlanders, Duitsers, Denen) en Aziaten. De Aziatische zeelui werden eerst geworven in China, later ook in Gujarat en Bengalen, en nog later op Java en de Molukken. ‘De VOC’, schrijft Van Rossum in Werkers van de wereld, de net verschenen handelseditie van zijn proefschrift, ‘praktiseerde in Azië een „nuchter multiculturalisme”.’ Er was veel vraag naar scheepsvolk, Aziaten konden vanouds met schepen omgaan en al het bekwame personeel was welkom.

Om zich een beeld te vormen van de verhouding tussen Europeanen en Aziaten in dienst van de VOC dook Van Rossum in het rijke archief van de Compagnie. Voor schattingen van de aantallen maakte hij gebruik van de Generale Land- en Zeemonsterrollen, de jaarlijkse overzichten van alle VOC-dienaren op de kantoren en schepen in Azië. Voor informatie over de verstandhouding tussen Europese en Aziatische zeelui putte hij uit processtukken van de Raad van Justitie in Batavia, met verslagen van ondervragingen, aanklachten, brieven en rapporten over arbeids- en andere conflicten.

Midden jaren 80 van de 18de eeuw voeren er op VOC-schepen in de Aziatische vaart 800 Aziaten en 1.100 Europese zeelieden. Daarnaast werden veel Aziatische zeelieden in Batavia ingezet voor alle mogelijke maritieme werk: laden, lossen, aanleg en reparatie van havenwerken. Rond 1780 werkten in Azië zo’n 1.800 Aziatische zeelieden en 6.000 Europeanen, op VOC-schepen en aan land. Het schip ‘Europa’ voer in juli 1784 met 18 Europese, 25 Chinese en 51 Javaanse zeelieden, en zo waren er meer.

Aziaten in dienst van de VOC, schrijft Van Rossum, waren niet wat Aziatische zeelui in de 19de-eeuwse stoomvaart zouden worden: tweederangs scheepsvolk, dat voor een grijpstuiver het dek moest zwabberen. Bij de VOC hadden Aziaten dezelfde status als Europese matrozen en kregen ze hetzelfde salaris. Alle zeelieden kregen gemiddeld 7,50 gulden per maand. Voor Aziaten was dat een vast loon. Europeanen begonnen vaak als gewoon matroos, voor 5, 6 gulden, maar konden, na het uitdienen van hun contract in Azië, bijtekenen voor een paar gulden extra. Dat was in het voordeel van de VOC, want die hoefde deze mensen niet terug te brengen naar, en vervanging over te laten komen uit het verre Europa. Aziaten waren overigens niet per se goedkoper. Het was voor de VOC gunstiger om zeelui uit te betalen in Europa dan in Azië, want in de Oost was de zilverprijs hoger.

Aziaten werden afzonderlijk geworven en werkten in aparte ploegen onder een eigen bootsman (sarang), maar deden hetzelfde werk als Europeanen. En werkverhoudingen waren belangrijker dan culturele scheidslijnen. Aziatische matrozen leefden onder dezelfde harde scheepstucht als hun Europese collega’s en de contacten waren levendig, schrijft Van Rossum. Ze kenden elkaar bij naam, speelden kaart, hadden seks met elkaar (er was geen vrouw aan boord) of maakten ruzie. Europese en Aziatische zeelui zagen elkaar als anders, maar niet als minderwaardig of superieur.

Van Rossum schrijft dat de verhoudingen in de (vroegmoderne) VOC-tijd zo gelijkwaardig waren omdat Aziaten uit economieën kwamen die qua ontwikkeling nauwelijks onderdeden voor die van Europa. Volgens hem kwam er een einde aan de gelijkwaardige positie van Aziatische zeelui toen koloniale mogendheden aan het begin van de negentiende eeuw de arbeidsmarkten in Azië gingen controleren.

Zo voerden de Britten rond 1820 de zogenoemde lascar articles in, die bepaalden onder welke voorwaarden Aziatische zeelieden aangenomen mochten worden en hoe ze behandeld moesten worden. Zo werd hun positie in de loop van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw aanzienlijk slechter dan in de Compagnietijd.