Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

Seksueel geweld een ware hype

De geweldsinflatie, vooral wat misbruik betreft, neemt absurde vormen aan, aldus Peter Vasterman.

Illustratie angel boligan

‘Schokkend’, vond rapporteur Corinne Dettmeijer. ‘Ja, daar schrik ik ook van’, beaamde Opstelten. Het begint zo langzamerhand een traditie te worden: de publicatie van steeds schokkender cijfers over huiselijk geweld, kindermishandeling of seksueel geweld tegen kinderen. Telkens zouden er tienduizenden, honderdduizenden en soms zelfs miljoenen slachtoffers zijn – zoals ooit bleek uit een onderzoek naar huiselijk geweld.

Die enorme aantallen en de bijbehorende media-aandacht wekken bij het publiek de indruk dat er sprake is van een zeer ernstige misstand. Daarna volgen de gebruikelijke rituelen: de minister is ‘geschokt’, de oppositie ‘verbijsterd’ en de hulpverleners ‘machteloos’, dat wil zeggen, zolang er niet meer geld vrijkomt voor de bestrijding van deze epidemie van geweld. Vorige week was het weer raak met het rapport over seksueel geweld tegen kinderen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel Corinne Dettmeijer.

De ‘schokkende’ cijfers werden eindeloos in de media herhaald: maar liefst 62.300 kinderen zouden dit jaar voor het eerst te maken krijgen met strafbaar seksueel geweld, 39.900 meisjes en 22.400 jongens, dus twee van de tien jongens en ruim vier van de tien meisjes.

De achterliggende patronen bij dit soort onderzoeken zijn altijd hetzelfde, namelijk heel brede definities, subjectieve zelfrapportage, kleine steekproeven en het projecteren van discutabele percentages op de hele bevolking. Bovendien is de interpretatie van de gegevens gericht op het uitvergroten van het probleem: het is altijd het topje van de ijsberg.

De Rapporteur Mensenhandel maakt het deze keer wel heel bont met haar rapport door alles – zowel zeer lichte als zeer ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag – bij elkaar op te tellen en dat allemaal ‘strafbaar seksueel geweld’ te noemen. Dat zou betekenen dat iedere ongewenste seksueel getinte aanraking, opmerking of gestaar een vorm van ‘geweld’ is, nee sterker nog: van ‘strafbaar geweld’.

Deze geweldsinflatie neemt in het rapport absurde vormen aan. Volgens een van de drie gebruikte deelonderzoeken valt ook seks met een meerderjarige partner eronder: zodra dat leuke vriendje van uw zeventienjarige dochter achttien wordt en op zijn verjaardag met haar naar bed gaat, maakt hij zich volgens Dettmeijer schuldig aan strafbaar seksueel geweld.

Definitieverschillen zorgen internationaal voor enorme verschillen in de cijfers over seksueel geweld, variërend tussen de 0,1 en de 71 procent, zoals blijkt uit een metastudie van 217 internationale publicaties.

In Nederland baarde het onderzoek van Nel Draijer eind jaren tachtig het nodige opzien, want daar kwam uit naar voren dat één op de drie vrouwen ooit slachtoffer was van seksueel misbruik. Bij Dettmeijer gaat dat getal nog drie keer over de kop, want nu blijkt dat 41 procent van de meisjes voor hun achttiende al slachtoffer is van strafbaar seksueel geweld.

Dit soort onderzoek is meestal gebaseerd op zelfrapportage door respondenten. Nadeel van deze methode is de subjectiviteit bij de interpretatie van de vraag (wat versta je onder seks?), de onbetrouwbaarheid van het geheugen en de veronderstelde eerlijkheid van de respondent.

Bovendien hoeft het ‘slachtoffer’ zichzelf volgens het rapport niet per se als zodanig te ‘percipiëren.’ Dit biedt uiteraard veel ruimte bij het interpreteren van de antwoorden.

Het valt niet mee om in het rapport te ontdekken hoe de ‘schokkende’ cijfers zijn berekend. Diep verborgen in een bijlage van het 318 pagina’s tellend rapport staat dat het aantal slachtoffers is berekend door de percentages uit een eerder gepubliceerd onderzoek met een steekproef van 323 jongeren van 17 of 18 jaar te projecteren op alle 3,5 miljoen jongens en meisjes tot en met 18 jaar in Nederland.

De onderzoekers vinden dit ‘adequate schattingen’, maar zo’n kleine steekproef betekent wel dat het uiteindelijk gaat om 66 meisjes die ‘iets’ hebben meegemaakt. Als zes procent ongewenst seks heeft gehad, dan zijn dat in de steekproef 9,6 (!) meisjes. Projecteren vanuit zo’n handjevol gevallen is een herkenbaar patroon in dit soort onderzoek.

De media illustreren de hoge cijfers meestal met ernstige gevallen van seksueel misbruik, want die hebben meer nieuwswaarde dan de lichte vormen. Zo opende een krant het stuk over Dettmeijer met een vrouw die 46 jaar geleden jarenlang ernstig door haar opa was misbruikt en daar nog steeds onder leed. Dat is de context van waarin de ‘62.000 slachtoffertjes seksueel geweld’ terechtkomen.

Zo ontstaat de beeldvorming dat ernstig seksueel geweld in Nederland op grote schaal voorkomt. Vervolgens wordt dat beeld telkens weer versterkt door nieuws over allerlei beleidsmaatregelen, meldcodes, trainingen en hulpverleningstrajecten om dit geweld terug te dringen.

Het is de vraag hoe deze inflatiespiraal kan worden afgeremd, want iedereen die vraagtekens zet bij dit soort onderzoek – zo weet ik uit ervaring – krijgt het verwijt de zaak te bagatelliseren, of erger nog, al die slachtoffers te schofferen. Maar de meisjes en jongens die echt misbruikt zijn, schieten er niets mee op als ze lezen dat het allemaal even erg is.