Knap spiralend samenspel van dansers en musici

Alles draait in Vortex Temporum: de muziek van Gérard Grisey zit vol spiralende herhaling, de dansers zwenken om hun as, zakken in een kurkentrekkerbeweging naar de grond, lopen of rennen grote en kleine rondjes door de ruimte. Op de vloer is een wirwar van cirkelpatronen getekend, waarover dansers en musici, inclusief de pianist met zijn concertvleugel, een rond traject volgen. Zelfs de belichting draait mee in deze ‘maalstroom des tijds’ van Anne Teresa De Keersmaeker.

Dat klinkt opwindend, maar Vortex Temporum is vooral een sobere, ingetogen voorstelling zonder franje, een nauwgezet onderzoek naar een concretisering van de bewegingskwaliteiten in de compositie van de Franse componist Gérard Grisey. Door deze voorstelling te kiezen als opening van zijn laatste Holland Festival, houdt scheidend artistiek leider Pierre Audi impliciet een pleidooi voor kwetsbare kunst, geen hoogtechnologisch, heerlijk weghappend spektakel, maar kunst die concentratie en aandacht vereist van zowel uitvoerenden als publiek.

Tegelijkertijd biedt de choreografie van De Keersmaeker handvatten een aanknopingspunten om de grillige klanken van Griseys ‘spectrale muziek’. Ze heeft geprobeerd de verschuivende timbres en toonhoogten, de voortdurend transformerende tempi in beweging te vatten. Als compositorisch uitgangspunt heeft ze daarbij een consequente koppeling gemaakt tussen dansers en instrumenten: de twee danseressen aan de blazers, drie dansers aan de strijkers, één, en later twee mannen aan de pianist. Het is meteen een belangrijke handreiking aan het publiek, dat zo met De Keersmaeker mee kan puzzelen.

De koppeling van de dans aan de muziek is het duidelijkst aan het einde van deel twee. De dansers verlaten dan, net als eerder de musici, abrupt het toneel, nadat ze in stilte de muziek van deel één hebben ‘nagedanst’. Eén danser blijft achter voor een solo. Na enige tijd krijgt hij tegenspel van de pianist, met wie hij – mooi toeval – een sterke fysieke gelijkenis vertoont. Zijn sprongen illustreren felle aanslagen, hij wentelt over de vloer bij rollende klankensequenties, hij dribbelt sur place bij nerveuze arpeggio’s. Het is op het randje van simplistische illustratie, maar het fragment is net kort genoeg.

Wat daarna volgt is een uitbundig samenspel van dansers en musici, in een aanzwellen en weer wegebben van klanken en passen, telkens opnieuw. De variatie in bewegingssequenties en ruimtelijk contrapunt blijft achter bij de rijkdom van Griseys kwinkelerende, knarsende, hamerende, zuchtende, piepende, bassende, jankende, gierende, brommende, snerpende, ademende – et cetera, et cetera – klankweefsel, en het consequente optrekken in dynamiek gaat na verloop van tijd een beetje vervelen. Maar het is razend knap dat De Keersmaeker erin slaagt haar antwoord op deze toch lastige muziek een suggestie van vanzelfsprekendheid mee te geven.