Het Maimonides ziet eruit als de VS-ambassade

De Joodse gemeenschap in Nederland staat op scherp na de aanslag in Brussel. Er is geen reden om te denken dat het hier wel veilig is

Een politiebusje bij de ingang van het Joods Historisch Museum. De politie in Amsterdam is waakzamer dan anders rond Joodse instellingen, een dag na de schietpartij in Brussel.
Een politiebusje bij de ingang van het Joods Historisch Museum. De politie in Amsterdam is waakzamer dan anders rond Joodse instellingen, een dag na de schietpartij in Brussel. Foto ANP

Een week geleden kregen de leerlingen van de Joodse scholengemeenschap Maimonides in Amsterdam te horen dat ze tijdens de schoolpauzes in het gebouw moesten blijven en niet, zoals anders, even naar de winkels in de buurt mochten lopen. Dat was op maandag, de eerste schooldag na de aanslag op het Joods Museum in Brussel.

Vrijdag arresteerde de Franse politie een verdachte van de aanslag in Brussel waarbij drie mensen om het leven kwamen. Het feit dat hij een radicale moslim is, een jihadstrijder, heeft Joods Nederland op scherp gezet – voor zover het nog scherper kon.

In gesprekken met verschillende zegslieden komen steeds dezelfde associaties naar voren. De aanslagen van 11 september 2001. De schietpartij door een Algerijnse Fransman bij een Joodse school in Toulouse in 2012. De moord op Theo van Gogh in 2004. Aanslagen om angst te zaaien. De grondtoon is: er is geen reden om te denken dat Nederland veilig is voor moslimterrorisme met een antisemitische agenda.

Dit weekend, voordat de arrestatie van de Franse verdachte bekend was gemaakt, zei de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid, Dick Schoof, dat er steeds meer jihadstrijders uit Syrië terugkeren naar Nederland. Desondanks hoeft volgens hem het dreigingsniveau in Nederland niet te worden verhoogd van ‘substantieel’, wat het sinds maart vorig jaar is, naar ‘kritiek’, het hoogste niveau. „Dan zouden we de verwachting moeten hebben dat er onmiddellijk een aanslag wordt gepleegd”, zei hij.

Kristallnacht

Monique Ooms staat in de winkel in zuurwaren die zij met haar man in Amsterdam-Zuid drijft. Zaterdag gesloten, zondags geopend. Geen beveiliger, wil ze ook niet. „Ik laat me niet voorschrijven hoe ik moet leven.”

Ze wordt opstandig van het idee dat ze in elkaar zou moeten duiken voor bedreigingen. Dan krijgt ze de neiging om de Israëlische vlag aan de gevel te hangen. Dat hoor je ook steeds terug: de spagaat tussen veiligheid en een normaal leven.

Op de deur van de winkel hangt de poster voor een puzzelrit eind deze maand, georganiseerd door de vereniging Masorti („voor geheel Joods Nederland”). Als buurtkinderen dat soort affiches zien, roepen ze vaak „kankerjood” naar binnen. Twee jaar geleden zijn de ruiten van de winkel ingegooid. Dat was in de nacht van 9 op 10 november – de datum van de Kristallnacht 1938, toen overal in nazi-Duitsland etalageruiten van Joodse winkels werden stukgegooid. In dezelfde buurt waren nog een Joodse boekhandel en een koffietentje het doelwit van vernielzucht geworden.

„Dat is helaas onze realiteit”, zegt Esther Voet, directeur van lobby-organisatie CIDI. Voor Joodse instellingen en organisaties is beveiliging een zaak van alledag. Vergelijk de omschrijvingen maar onder het kopje ‘veiligheid’ in de keuzegids voor het voortgezet onderwijs. Alle scholen pronken daar met hun pestprotocollen en hun veiligheidscoördinator. Het Maimonides schrijft simpelweg: „Er is bewaking aanwezig.” De school oogt als de Amerikaanse ambassade, zegt een van de ouders. Zij betalen jaarlijks 1.200 euro voor de beveiliging van de school.

Opperrabbijn Binyomin Jacobs zit in het bestuur van die andere Joodse school in Amsterdam, het Cheider. „Nog gevaarlijker”, zegt hij, want orthodoxer en dus „meer herkenbaar Joods”. Hij zegt dat ook het Cheider na de aanslag in Brussel de beveiligingsmaatregelen heeft verscherpt.

Door de achterdeur

Hij is niet bang, zegt hij, maar wel bezorgd. Hij wordt, met zijn hoed en zijn baard, dagelijks uitgescholden op straat. „En niet alleen door moslims.” Na de aanslag in Brussel dacht hij voor het eerst bij zichzelf: zal ik maar eens door de achterdeur het huis uitgaan?

Ook in Nederland zijn sinds ‘Brussel’ „tijdelijk zichtbare maatregelen” getroffen, zegt een woordvoerder van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD). In het parlement wordt al lang gediscussieerd over de vraag of de Joodse gemeenschap zelf voor zijn veiligheid – kosten circa 800.000 tot 1 miljoen euro – moet betalen of dat de rijksoverheid haar tegemoet kan komen. De woordvoerder van de minister zegt het bondig: „Er is geen apart dreigingsniveau voor Joden.”

„Dat klopt”, zegt opperrabbijn Jacobs, „omdat de minister het dreigingsniveau bepaalt. Maar het is onbegrijpelijk dat hij doet alsof iedereen evenveel gevaar loopt als de Joodse gemeenschap. Je ziet dat het niet zo is.”

„Het was een Joodse school, het was een Joods museum”, zegt CIDI-directeur Esther Voet. „Dat is niet voor niets.”