Het kostschooltrauma van de indianenkinderen

De worsteling met gedwongen assimilatie van inheemse bevolking

Kostschool in Saskatchewan voor inheemse kinderen met schoolbordtekst ‘Je mag geen leugens verkondigen’ uit 1945 (foto boven). En de St-Michael’s Residential School in 1959 (foto onder).
Kostschool in Saskatchewan voor inheemse kinderen met schoolbordtekst ‘Je mag geen leugens verkondigen’ uit 1945 (foto boven). En de St-Michael’s Residential School in 1959 (foto onder). Foto’s Library and Archives Canada

B ijgestaan door twee vriendinnen en een hulpverleenster gaat Therese Moberly, een oudere vrouw van de Dene-bevolking in noordelijk Canada, zitten op een podium in een congreshal in Edmonton. In het schijnwerperslicht, aan een tafel met drinkwater en papieren zakdoekjes, doet ze tegenover een waarheids- en verzoeningscommissie verhaal over haar traumatische ervaringen als klein meisje op een kostschool voor indianenkinderen.

„Er kwam een grote schuit, want er waren geen wegen in die tijd”, vertelt Moberly over de dag dat ze, net als zo’n 150.000 andere inheemse kinderen decennialang, bij haar ouders werd weggehaald door vertegenwoordigers van de Canadese overheid. „Ik weet nog dat mijn moeder me bij de hand nam, en op de schuit zette. Toen begon die te varen. Ik zag het dok met mijn moeder steeds kleiner worden, totdat ze verdween.” Moberly schiet vol, de hulpverlener legt een arm om haar schouder.

Vanaf haar zesde ging Moberly jarenlang verplicht naar de inheemse kostschool van Île-à-la-Crosse in de prairieprovincie Saskatchewan, één van de circa 130 indianenscholen verspreid door het land. Die scholen staan sindsdien bekend als foute instellingen waar inheemse kinderen lichamelijk, psychologisch en seksueel werden misbruikt. Nu, decennia later, is ze een van de duizenden oud-leerlingen op de internaten die een getuigenis hebben afgelegd tegenover een nationale Truth and Reconciliation Commission rond dit donkere hoofdstuk uit de Canadese geschiedenis.

„Toen we halverwege waren op de rivier, ervoer ik voor het eerst eenzaamheid en afwijzing”, vervolgt Moberly met stokkende stem, terwijl een van de drie waarheidscommissieleden luistert. Honderden toeschouwers, de meesten van de inheemse bevolking, is muisstil. „Ik dacht dat mijn moeder niet van me hield, en me daarom had weggegeven.”

De ware reden van de gedwongen scheiding van haar ouders was veel duisterder: een grootschalig en langdurig beleid van de Canadese overheid om kinderen van de inheemse bevolking te assimileren in de blanke maatschappij. Dit kostscholenbeleid, dat werd gevoerd van circa 1850 tot 1980, moest inheemse kinderen beschaven en zo „het indiaanse probleem” oplossen, aldus een ambtenaar van Indiaanse Zaken in 1920. „Ons doel is hiermee door te gaan totdat er geen enkele indiaan meer is in Canada die niet is geabsorbeerd in het politieke systeem.”

Luizen

Het bestaan op de kostscholen, die werden bestuurd door katholieke en protestantse kerken, was eenzaam en hard, vertellen oud-leerlingen aan de reizende commissie. Zo werden kinderen na aankomst grondig gewassen en behandeld met een middel tegen luizen. Leerlingen werden hard geslagen voor het spreken van inheemse talen, die werden verworpen als ‘des duivels’. Er was geen gezinsleven, en kinderen werd schaamte bijgebracht voor hun afkomst.

Bovendien was er veel wreedheid. Seksueel misbruik was niet ongewoon. Naar schatting 4.000 kinderen kwamen op de kostscholen om, bij branden of andere ongelukken, vluchtpogingen, zelfmoord of om onopgehelderde redenen. Leerlingen werden soms gebruikt voor experimenten op het gebied van voeding. Gezien het doel van de scholen, ‘het doden van de indiaan in het kind’, wordt het beleid soms omschreven als ‘culturele genocide’.

„Ik gehoorzaamde, want ik wilde niet worden bestraft”, zegt Stan Humchitt, een zestiger van de inheemse Kwakiutl-bevolking aan de westkust. Hij ging van 1954 tot 1964 naar de kostschool St. Michael’s en kreeg daar te maken met wrede straffen, vertelt hij. Een keer raakte een kind voor zijn ogen gewond aan het hoofd bij riemslagen. Hij worstelt er nog steeds mee. „Ik heb geleerd om te haten, te liegen, niemand te vertrouwen”, zegt Humchitt zacht.

Het kostscholenbeleid was dan ook verkeerd, heeft de Canadese overheid erkend – het was racistisch. In 2008 bood de regering van premier Stephen Harper excuses aan in het parlement in Ottawa. Met die excuses ging een compensatieregeling van miljarden dollars gepaard, en de oprichting van de Truth and Reconciliation Commission. Doel is om de jarenlang verzwegen waarheid over de kostscholen zo volledig mogelijk te openbaren. Dit helpt de slachtoffers, én de Canadese maatschappij bij de verwerking, is de gedachte.

„Als iemand mijn kind kwam weghalen zou ik dat ook vreselijk vinden”, zegt Jason Golinowski, een inwoner van Edmonton die met zijn gezin naar het congrescentrum is gekomen. Hij leerde op school nooit iets over de kostscholen, en weinig over de inheemse bevolking, zegt hij. „Canadezen moeten zich hiervan bewust zijn. Dit is een eerste stap, want tot nog toe is dit probleem nauwelijks erkend.”

Deelnemers aan het proces hopen op erkenning van de grote schade die is aangericht. Gezinsbanden werden vernietigd, kinderen werden drie of vier generaties lang niet opgevoed door hun eigen ouders. Ervaring met de opvoeding van kinderen ging zo verloren. Leerlingen verloren de band met hun eigen identiteit, maar bleven tegelijkertijd achtergesteld in de blanke maatschappij. Velen raakten verslaafd aan alcohol en drugs.

„De kostscholen beroofden ons van onze cultuur, onze identiteit en onze verbinding met het land”, zegt Telly James, een jonge maatschappelijk werker van de Siksika bevolking in Alberta. Hij werkt aan de voorkoming van zelfmoord in de gemeenschap. „We zijn op zoek naar manieren om onze identiteit weer op te bouwen, want dat is de beste manier om de spiraal van verslaving te breken en het zelfmoordcijfer terug te dringen.”

Oud-leerling Stan Humchitt heeft ervaring met die spiraal. Met tranen in zijn ogen toont hij littekens op zijn armen die hij overhield aan een zelfmoordpoging. „Ik had zoveel woede in me.” Jarenlang kampte hij met alcoholisme, maar sinds 13 jaar drinkt hij niet meer, vertelt hij. „Het droevigste is dat ik niet ben opgevoed door mijn eigen vader en moeder”, zegt Humchitt, die zijn grijze haar draagt in een lange vlecht. „Maar ze hebben het inheemse in me niet kunnen vernietigen. Mijn huid is nog altijd bruin.”

Tegenwoordig telt de inheemse bevolking van Canada ongeveer 1,4 miljoen mensen (op een totale bevolking van 32,5 miljoen), doorgaans onderverdeeld in ‘First Nations’, Métis (mensen van gemengde afkomst) en Inuït (voorheen ‘Eskimo’s’). Wegens een hoog geboortecijfer is de inheemse bevolking relatief jong. Maar zij kampt met problemen als hoge werkloosheid, verwaarlozing en verslaving. Veel aboriginals leven in armoede op reservaten, in omstandigheden die eerder doen denken aan ontwikkelingslanden dan aan een rijk land als Canada. Shawn Atleo, vertrekkend opperhoofd van de Assembly of First Nations, zegt dat inheemse jongeren meer kans maken op een gevangenisstraf dan op een middelbare schooldiploma.

Bezinning

Volgens David Langtry van de Canadese mensenrechtencommissie vormen de problemen van de inheemse bevolking „de dringendste mensenrechtenproblematiek in Canada”. Het is van belang om de historische last van de kostscholen collectief te dragen, meent hij. „Dit is geen inheems, maar een Canadees probleem. We moeten er allemaal verantwoordelijkheid voor nemen.”

Voor de meeste betrokkenen bij het Waarheids- en Verzoeningsproces schuilt verzoening met de Canadese maatschappij dan ook in stappen om het leven van inheemse groepen wezenlijk te verbeteren. Daarvoor is niet alleen erkenning nodig dat het beleid uit het verleden fout was, maar ook afzwering van de diepgewortelde opvattingen die eraan ten grondslag lagen: dat de inheemse bevolking minderwaardig zou zijn, zielig, hopeloos.

Murray Sinclair, het hoofd van de waarheidscommissie, heeft zich ten doel gesteld om een eindrapport te schrijven „waar Canada op een positieve manier op zal moeten reageren”. Zomer 2015 moet het klaar zijn. „We zijn het verschuldigd aan de overlevenden, maar ook aan degenen in Canada die dit verrassend genoeg nog steeds niet geloven”, aldus Sinclair. „We zullen hen overtuigen. Maar verzoening is niet makkelijk. De waarheid is moeilijk, en verzoening is nog veel moeilijker.”