Zó simpel dat het voor economen moeilijk te begrijpen is

Thomas Piketty schreef het boek van het jaar. Zijn betoog over ongelijkheid doet denken aan hoe de eerste politieke economen over grote maatschappelijke vragen schreven.

Thomas Piketty, dat is economie zoals het bedoeld is: een combinatie van grote verhalen, theorie, data, voorbeelden en anekdotes. Hij vermengt economie, sociologie, politicologie en geschiedenis tot een pakkende mix van inzichten, hypotheses en trends. Bij elkaar opgeteld levert zijn betoog geen ijzeren wet op, maar wel een glasheldere conclusie: als we niks doen, zal de vermogensongelijkheid in de wereld verder toenemen.

We lezen nog maar zelden een boek van kaft tot kaft. Je slaat stukken over – hoppa, weer een chronologie van de euro – en scant diagonaal de delen die je niet aanspreken. En dan blijft soms meer en soms minder over om op te slaan in je geheugen en over na te denken.

Het dikke Capital in the 21st century van Thomas Piketty is anders: dat heb ik van A tot Z gelezen, en ik kan iedereen aanraden hetzelfde te doen. Anders dan Het Kapitaal van Marx, dat veel mensen in de kast hebben staan zonder dat ze er doorheen kwamen, is dit een zeer leesbaar boek, met een overvloed aan gegevens, grafieken, verhalen, en minitheorieën – over het minimumloon, over de oorzaken voor toenemende ongelijkheid, etcetera. Je moet er even voor gaan zitten maar dan heb je ook wat.

De verdeling van rijkdom

Ongelijkheid, Piketty’s centrale thema, is geen onderwerp van vandaag of gisteren, maar tot voor kort besteedden economen er nauwelijks serieus aandacht aan. Zij negeerden lange tijd de verdeling van rijkdom, aldus Piketty, omdat ze de optimistische hypothese van de Russisch-Amerikaanse econoom Kuznets voor waar hielden dat ongelijkheid in landen die zich ontwikkelen eerst zal toenemen en daarna weer zal afnemen (de beroemde Kuznets-curve). Daar kwam volgens hem ook nog het overdreven enthousiasme van economen bij voor simplistische mathematische modellen.

Enkele jaren geleden bracht ik met een collega een bezoek aan Branko Milanovic bij de Wereldbank. Hij was daar de expert op het gebied van ongelijkheid. Hij zat op een klein kamertje en vertelde dat hij binnen de bank een marginale positie bekleedde. Zijn homepage was nauwelijks te vinden, ongelijkheid was geen prioriteit.

Dat is snel veranderd. Als gevolg van de crisis en de toegenomen inkomensverschillen in landen waarin zo’n 70 procent van de wereldbevolking woont, is ongelijkheid een belangrijk thema geworden. De paus, de Amerikaanse president Obama, het IMF, de Wereldbank, de Oeso en het World Economic Forum zien het als een kernprobleem voor deze tijd. Milanovic is inmiddels weg bij de bank en is een internationale autoriteit op het gebied van ongelijkheid geworden: onlangs twitterde hij erover vanaf een conferentie in het Vaticaan. Het boek van Piketty is het juiste boek op het juiste moment. Het bevat een enorme hoeveelheid nieuwe data waar zo ongeveer iedereen de loftrompet over stak tot de Financial Times daar onlangs vraagtekens bij plaatste.

Theoretische speculatie

Economen hebben te lang geprobeerd zichzelf te definiëren in termen van hun veronderstelde wetenschappelijke methoden, schrijft Piketty in zijn conclusie. Ik moest daarbij denken aan Freakonomics, de boeken waarin economische theorie wordt toegepast op niet-economische onderwerpen, van sumoworstelaars tot het kiezen van de naam voor een kind. Piketty vindt dat te veel energie van economen wordt verspild aan theoretische speculatie, zonder dat duidelijk is welke politieke en sociale problemen men probeert op te lossen. Hij hield het om die reden na een paar jaar economie doceren voor gezien bij het gerenommeerde MIT in Boston, en adviseert economen die nuttig willen zijn een pragmatische aanpak bij hun methodologische keuzes. Hij bepleit ook samenwerking met andere sociale disciplines, evenals aandacht voor geschiedenis – te vaak wordt die genegeerd, terwijl historische ervaringen nog steeds onze belangrijkste bron van kennis zijn.

Die kritiek sluit mooi aan op de oproep van zeventig groepen economiestudenten in dertig landen, die op www.isipe.net pleiten voor een andere invulling van hun opleiding. Zij willen meer geschiedenis, een vak dat op veel economiefaculteiten juist is afgeschaft. Meer aandacht voor echte problemen, zoals ongelijkheid, want om die op te kunnen lossen gingen velen ooit economie studeren. En meer pluriformiteit, want er zijn veel meer economische scholen en benaderingen dan de dominante, waar we tijdens de crisis toch ook de beperkingen van hebben ervaren. Piketty steunt deze studenten.

Piketty schrijft in Capital over ongelijkheid zoals de eerste politieke economen over grote maatschappelijke vragen schreven. Maar in sommige reacties van economen klinkt enige vertwijfeling door. Allemaal leuk en aardig die historische data, fantastisch dat hij daar zoveel tijd aan besteed heeft, en hij moet daar misschien ook wel de Nobelprijs voor krijgen. Maar waar is zijn model, vragen onder anderen Mervyn King en Ken Rogoff zich af. Of zoals de economengrap gaat: „We zien dat het werkt in de praktijk, maar nu de theorie nog.”

IJzeren wetten

Het blijkt daarbij ook soms voor topeconomen moeilijk het gelaagde verhaal van Piketty goed te lezen en doorgronden. Hij waarschuwt veelvuldig dat hij geen voorspellingen of ijzeren wetten formuleert, maar ontwikkelingen en trends over langere periodes van 30 tot 40 jaar. Heel verstandig, want als economen te concreet worden en bijvoorbeeld precieze bedragen gaan plakken op verwachte uitkomsten van ontwikkelingen of beleid, gaat het al snel mis. De onzekerheidsmarges, die daarbij als het goed is aangegeven zijn, verdwijnen dan vaak snel uit beeld in het politieke en maatschappelijke debat. Denken in waarschijnlijkheden en tendensen in plaats van zekerheden en noodzakelijkheden blijkt echter lastig: Piketty wordt vaak veel stelliger gelezen dan hij het bedoeld lijkt te hebben.

Dan gaat het vooral over r > g, de inmiddels wereldberoemde formule waarin de essentie van Piketty’s boek is samengevat, en die volgens econoom Dean Baker (van het Center for Economic and Policy Research in Washington) zo simpel is dat economen problemen hebben hem te begrijpen. Zolang het rendement op vermogen (r) hoger is dan economische groei (g) en vermogen (zeer) ongelijk is verdeeld, moeten we ervan uitgaan dat de ongelijkheid toe zal nemen. Het rendement op vermogen is historisch gemiddeld 4 tot 5 procent per jaar, en voor de wereldeconomie wordt de komende decennia 1 tot 1,5 procent groei per jaar verwacht. Dus als we niks doen en deze trends doorzetten, is een sterke toename van de ongelijkheid tot niveaus uit de negentiende eeuw het waarschijnlijke scenario.

Zonder iets af te doen aan Capital kun je over r en g je vraagtekens hebben. Als de verhoudingen tussen enerzijds vermogen en inkomen en anderzijds kapitaal en arbeid toenemen, zal r wellicht lager worden. En g kan hoger worden de komende decennia. Voormalig Wereldbank-econoom Milanovic heeft een punt als hij stelt dat Piketty de groeimogelijkheden van China en andere opkomende landen lijkt te onderschatten. Driekwart van de wereldbevolking wordt niet meegenomen in Piketty’s analyse.

Spannend

Wie het boek van het jaar schrijft, lokt daarmee ook gelijk een prijs uit voor degene die zijn bevindingen onderuit weet te halen, was op twitter te lezen toen Piketty door de Financial Times onder vuur werd genomen. Die heeft op voorhand zijn bronnen openbaar gemaakt, zodat controle van zijn onderzoekswerk goed mogelijk is. Volgens een artikel in de Britse Telegraph hebben conservatieve denktanks onderzoekers aan het werk gezet om fouten te vinden, maar de Financial Times was de eerste die met scherp aangezette kritiek kwam. Piketty zelf benadrukt herhaaldelijk in zijn boek dat de data over met name vermogen nog ernstig tekortschieten en pleit voor meer transparantie. En Milanovic – „Piketty-Financial Times: 1-0” – beschrijft op zijn blog vanuit de praktijk dat dit soort dataverzameling niet alleen harde wetenschap is, maar om allerlei bediscussieerbare afwegingen, extrapolaties en keuzes vraagt.

Deze discussie en de andere controverses die ongetwijfeld nog komen, betekenen nieuwe spannende rondes in de aandacht voor Piketty en het doorgronden en duiden van ongelijkheid. Het debat over data, conclusies en aanbevelingen gaat in een razend tempo, want door nieuwe sociale media is de snelheid waarmee theorieën en beleidssuggesties worden getoetst enorm toegenomen.

In principe kan iedereen, gediplomeerd econoom of niet, daar ook aan meedoen, en dat gebeurt soms ook. Wie de ontvangst van en controverses over het boek van Piketty wil volgen, heeft niets aan wetenschappelijke tijdschriften en boeken (dat duurt nog even) of handboeken (dat duurt nog langer), maar moet het hebben van blogs en twitter. Ook mooi dat de publicatie van een boek van 690 pagina’s waar jarenlang dataonderzoek voor verricht is, economen en andere sociale wetenschappers er nog weer eens op wijst dat zij zich minder dan ooit tot het lezen van hun eigen wetenschappelijke vakliteratuur kunnen beperken.