Moeder

Fictie // Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een hoofdstuk uit In zijn nabijheid, de nieuwe roman van Nico Dijkshoorn.

Binnen een dag was zijn kamer leeg en stond alles in dozen en plastic zakken in de gang. Hij ging boven Menno Zadelmaker wonen, zomaar, vanuit het niets. In Amsterdam. Ik heb op hem ingepraat, of hij misschien problemen had en dat we daarover konden praten. Maar dat was het niet. Hij had het steeds over een gevoel. Dat ging hij achterna. Ik vond het zo verdrietig, zijn lege kamer.

Ik heb hem nog gevraagd of hij zijn diploma’s nodig had. Werd hij heel kwaad. Dat ik er niets van begreep en dat dat wel het laatste was wat hij nodig had, een diploma. Hij zat me uit te lachen. Ik nam hem dat niet kwalijk. Ik zag dat hij het ook eng vond. Aan zijn manier van lopen. Aan dat turen uit het raam. Ik ben toen maar een koude salade gaan maken.

Zijn lievelingseten. Een grote, mooi opgemaakte

zalmsalade. Die aten we op vrijdag, maar nu was het zondag. Ik zal uitleggen hoe ik een zalmsalade maak. Eerst laat je de zalm uit blik goed uitlekken en dan kook je aardappels. Belangrijk is dat je goede aardappels neemt. Een stuk of vier. Ondertussen snijd je tomaten en kook je drie eieren. Zorg dat je genoeg mayonaise in huis hebt. Die eieren en de tomaat gebruik je alleen decoratief. De salade zelf maakte ik van de zalm, de aardappelen en wat mayonaise. Meer niet. Misschien wat zout. Beetje peper. Een eerlijke, eenvoudige salade, daar hield Wim van. De in plakjes gesneden eieren legde ik om de salade heen en de tomaat erbovenop. Met een tube mayonaise spuit je een figuur op de zalm. Meestal deed ik een achtvorm of twee cirkels. Net hoe ik me voelde. Als ik de salade op tafel zette, zei Wim: ‘Zo koop je hem niet eens in de winkel.’ Hij heeft er zelfs eens een foto van gemaakt. Sta ik naast de salade.

Ik heb daar, in die keuken, staan hopen dat hij ineens achter me stond en zijn arm om me heen zou leggen. Dat daarna gewoon alles als anders zou zijn. Dat ik net zou doen alsof ik niet wist dat hij een vriendin had en dat ik hem niets zou vragen. Maar dat gebeurde niet. Hij heeft drie uur lang voor het raam gewacht op het bestelbusje van die dichter.

Ik zette de salade koud, onder aluminiumfolie, en las een tijdschrift. En toen vroeg ik hem wat hij ging studeren. Werd hij weer heel kwaad. Hij ging leren leven, zei hij. Weg, weg uit dat schijtdorp. Zo zei hij het. Schijtdorp. Hij schreeuwde dat ik me er misschien niets bij voor kon stellen, dat mensen wilden wonen op een plek waar meer dan één bakkertje was, maar hij had dus gewoon even zin in een stad met honderd bakkertjes. Kiezen, moeder, riep hij. Zegt dat je iets? Kiezen? Het woord mogelijkheden, zegt dat je iets? Toen ben ik naar de salade gaan kijken. Ook dat is heel belangrijk, dat je hem iets laat opkoelen, maar niet te veel.

Als ik nu zo’n liedje hoor, van een zanger die met zijn meisje in een auto weg wil rijden, je weet wel, die liedjes over de grote stad en dat ze weg moeten, van die ene zanger, die zingt dat je geboren bent om te hollen, dan denk ik dat dat helemaal niet klopt. Volgens mij ben je geboren om te blijven.

En toen kwam dat busje voorrijden. Een beschilderd Volkswagenbusje. Iemand had er allemaal vlinders op geschilderd. Waarschijnlijk die Menno zelf. Wim had me de ochtend na het optreden in Café Rust een paar gedichten voorgelezen uit Oesterzwam. Zadelmaker had die bundel aan Wim gegeven en gesigneerd. Voor mijn zoon, Wim, stond erin. Toen kenden ze elkaar anderhalf uur. Heel slechte gedichten vond ik het. Ik herinner me een gedicht over zijn gootsteen. Die zat verstopt en dat vergeleek hij dan met zijn leven. Vreselijk. Maar dat heb ik niet tegen Wim gezegd.

Ik vond Menno Zadelmaker een smerige man. Toen al. Hij riekte. Wim moet dat ook hebben geroken. Ze omhelsden elkaar toen die Menno uit zijn busje was gestapt. Wim en omhelzen. Het liefst gaf hij mij een hand als hij naar bed ging. Maar goed. Zuur met een soort van bitterheid, zo rook Zadelmaker. Ik heb hem een hand gegeven. Ik had me dat zo anders voorgesteld. Meestal zegt zo iemand dan: ‘Veel over u gehoord’, maar dat kon helemaal niet. Hij had helemaal niets over me gehoord.

Toen gingen we naar binnen. Zadelmaker deed net alsof hij door een museum liep. En maar murmelen, met die lipjes. Ik zag hem laatst in een reclame voor rolluiken. Murmel murmel. Hij liep door onze huiskamer en toen zei hij: ‘Ik snap wat je bedoelt, Wim.’ Ik keek meteen naar Wim. Die reageerde niet. Hij zette zijn spullen in de auto. Menno stak geen hand uit. Die stond in mijn gang naar een schilderijtje te kijken. Dat had ik ooit van mijn tante gekregen. Het was een

stilleven. Een dode fazant, een banaan en een potje suiker. Daar stond Zadelmaker keihard om te lachen omdat het perspectief niet klopte. En toen werd ik giftig. Mijn tante was overleden aan een ziekte. Dat doet er verder niet toe, maar dat maakte het wel erger. Daar ga je niet om lachen, een ziek iemand die iets heeft geschilderd. Ik zei hem dat, maar hij reageerde er niet op.

Ik twijfelde. Zadelmaker wilde ik zo snel mogelijk mijn huis uit, maar Wim wilde ik zo lang mogelijk houden. Alles stond al in de bus. Toen vroeg ik Wim of ze bleven eten. Ik had zijn salade gemaakt. Dat die Zadelmaker met zijn vingers in mijn salade ging zitten, dat nam ik op de koop toe. Wim wilde weg. Liever geen salade. Als ze nu weggingen, waren ze nog net voor het donker thuis. Hij stond al op om afscheid te nemen. Hij zou me snel bellen. En toen wilde die Menno opeens wat eten. Dat had hij al een tijd niet gehad, zei hij, een Oudhollandse zalmsalade.

Ik had ze moeten laten gaan. Maar dat zeg ik nu. Het zou zoveel beter zijn geweest als ik ze had laten gaan. Daar zaten we aan tafel, met die salade tussen ons in. Prachtig opgemaakt. Het klinkt misschien sentimenteel, maar ik had er met mayonaise een heel grote w en d op gespoten.

Wim en Dien.

Als afscheid of zo. Ik zag dat Wim zich schaamde. Dat vond ik zo erg. Maar hij zei niks. Niks over de tomaten en niks over de eieren. En toen pakte die Zadelmaker een lepel en schepte midden uit de schotel een enorme kluit salade. Dwars door de w heen. Lekker, mayonaise, zei hij. Dat was het eigenlijk. Verder kan ik me niets van het gesprek herinneren. We hebben gesproken, dat weet ik zeker, maar ik heb alleen maar naar Wim zitten kijken. Wim die mijn salade at. Ik heb ze de rest van de salade in een tupperwarebakje meegegeven. Pas jaren later kreeg ik dat terug. Ik heb ze zelfs uitgezwaaid, midden op de weg. Ze toeterden niet eens. Ik heb gekeken tot ik het busje niet meer zag. Wim zwaaide niet één keer. Toen ging ik weer naar binnen. Het schilderijtje van mijn tante legde ik in een kast.