Een vormende universiteit op lokaal niveau

Nog wordt de agenda van de universiteit door de geestelijke horizon van de ‘roaring nineties’ bepaald. Maar de tijd is veranderd. Valorisatie, globalisering en Engels in onderwijs moeten plaatsmaken voor vorming, ‘glocalisering’ en gebruik van Nederlands, vindt Ad Verbrugge.

De buitenwereld heeft het misschien nog niet in de gaten, maar de universiteit worstelt met zichzelf. De inrichting van het academisch onderwijs en onderzoek leidt tot steeds meer weerstand in haar eigen gelederen. Actiegroepen en hervormingsbewegingen worden opgezet, door studenten en docenten. Ook menig bestuurder wil een andere koers varen, maar voelt zich gevangen door de overheid.

Deze ‘crisis’ houdt verband met de fundamentele transformatie die de universiteit heeft ondergaan sinds het midden van de jaren tachtig. De hoogdravende dromen uit de jaren zestig zijn dan voorbij en het ‘New Public Governance and Management’ doet zijn intrede in het Nederlands openbaar bestuur. Kort daarop raakt de term ‘globalisering’ in zwang en worden steeds meer maatregelen gerechtvaardigd met het oog op de nieuwe economische wereldorde die in aantocht is.

In deze periode worden ook het onderwijs en onderzoek aan de universiteit in toenemende mate bedrijfsmatig aangestuurd en begrepen in termen van productie, consumptie en concurrentie. De overheid werkt met financiële prikkels en vrijwel iedereen gaat erin mee, ja moet erin mee. Dit alles gaat gepaard met een nadruk op de meting van prestaties en berekening van de gemaakte kosten. Het binnenhalen van studenten levert geld op, evenals het binnenhalen van onderzoek. Jezelf verkopen en omzet halen worden beslissende activiteiten voor universiteiten. Ieder jaar wordt de balans opgemaakt en gekeken naar ‘productiviteit’ van faculteiten, vakgroepen en medewerkers. Scores, lijstjes en kwantiteiten gaan regeren.

Gaandeweg ontstaat daardoor ook de neiging tot massaproductie in onderwijs en onderzoek. De academische wereld komt te leven onder een permanente druk van ‘meer’, omdat meer, meer oplevert. Meer studenten, meer bullen, meer promoties, meer publicaties, meer citaties, meer externe financiering enzovoorts. Wie niet meer kan, valt af. Publish or perish doet zijn intrede. Kleine faculteiten en studierichtingen moeten weg, omdat er te weinig studenten zijn en omdat ze ‘verliesgevend’ worden. Wetenschappers moeten de financiering van hun onderzoek steeds meer zelf organiseren en worden gestraft omdat ze te weinig publiceren.

Maar alles heeft zijn prijs, ook dit financiële sturen op aantallen en prestaties. Mede daardoor is de opwaartse druk binnen het onderwijs enorm toegenomen, met alle kosten van dien. Iedereen moest hoger opgeleid zijn en omdat de instellingen worden gefinancierd op aantallen mocht ook iedereen steeds hoger stijgen. En zo steeg ook de instroom in het hoger onderwijs in tien jaar tijd met bijna vijftig procent. Geld kwam er niet bij, maar de productiviteit nam wel toe; evenals de bijbehorende inflatie natuurlijk, want niet iedereen was plots slimmer geworden. Op veel plaatsen werden de eisen naar beneden bijgesteld en werd ook het programma dunner.

Dat ‘kwantitatieve verruiming’ kan leiden tot bubbelvorming en waarde-inflatie weten we maar al te goed. In veel sectoren waar de overheid marktprikkels als sturingsinstrument hanteert en ‘prestaties’ beloont, gebeurt iets vergelijkbaars – zoals in de zorg. Waar men niet meer primair gericht is op de gezondheid en het welzijn van mensen, maar in plaats daarvan iedere behandeling ‘beloont’ met geld, neemt ook het aantal overbehandelingen toe. Het middel corrumpeert het doel. Dit eindeloze streven naar meer wordt door Plato pleonexia genoemd – een ondeugd waar ook het antieke Athene last van had en die uiteindelijk zelfs de hele staatsorde te gronde richtte. Uiterlijke zaken als aanzien, macht en geld speelden daarbij een grote rol.

De laatste jaren is de perverterende werking van geld binnen het academisch onderzoek ruimschoots bekritiseerd. Ook hier steken de kwantitatieve verruiming en haar ongewenste bijwerkingen de kop op. Dat proces wordt nog eens versterkt door de virtualisering van ons bestaan, die de werkwijze van wetenschap diepgaand beïnvloedt. Zo werken wetenschappers over de hele wereld steeds gemakkelijker met elkaar samen. En met cut and paste is het steeds eenvoudiger geworden om artikelen in elkaar te zetten. De productie van die massa’s artikelen wordt dan ook een soort assemblagetechniek, zodat niet alleen hun aantal toeneemt, maar ook het aantal namen eronder. Overproductie doet de substantie vervluchtigen.

Het kan er ook toe leiden dat onderzoekers zich terugtrekken in een virtueel netwerk van specialisten, verspreid over de hele wereld. Het samenspel van productiedruk, specialisering, virtualisering en internationalisering brengt zo een vorm van dislocatie teweeg. De kennispraktijk komt los te staan van iemands concrete leefwereld en gaat op in een plaatsloze ruimte. Het systeem van concurrentie en (quasi-)marktwerking kan deze tendens versterken. Daarbij is men vooral gericht op de optimalisatie van de eigen productiviteit en winstgevendheid, niet op een gemeenschappelijk goed waarvoor men zorg draagt. Als gevolg daarvan kan een proces van segregatie intreden – iets wat de afgelopen jaren eveneens in andere maatschappelijke sectoren zichtbaar is geworden. Woningbouwcorporaties gaan huizen bouwen in Polen en zijn zó bezig met het veroveren van ‘de markt’ dat ze hun taak ten opzichte van de gemeenschap verwaarlozen. Deze tendens tot dislocatie en segregatie is soms ook in de universitaire onderzoekscultuur zichtbaar. Naar de kwaliteit en zin van deze kennis wordt dan niet meer gevraagd, het systeem en zijn deelnemers legitimeren zichzelf intern – zelfreferentieel.

De overheid ziet het inmiddels als haar taak om het wetenschappelijk onderzoek op het maatschappelijk leven te betrekken. ‘Valorisatie’ wordt dat wel genoemd. Nu is het op zich begrijpelijk en terecht om met betrekking tot allerlei instellingen die met publiek geld worden bekostigd de vraag te stellen wat hun maatschappelijke waarde is. Een dergelijke waardebepaling is evenwel onmogelijk zonder een kwalitatieve bepaling te geven van dat wat wij maatschappelijk van waarde vinden. Alles hangt hier natuurlijk af van de wijze waarop wij zaken waarderen – en dan niet in termen van een marktprijs, maar met het oog op het goede leven in zijn geheel.

Wat wij van waarde vinden, is altijd ook afhankelijk van onze vorming. Zolang de universiteit alleen de logica van de geldeconomie volgt en geen kwalitatief vormingsideaal uitdraagt, kan zij zelf geen positie meer innemen in de vraag naar de waarde van haar eigen onderwijs en onderzoek. Dan dreigt het gevaar dat die waarde gereduceerd wordt tot de plaats op de rankings en/of het geld dat met wetenschappelijke kennis te verdienen valt. Kennis is niet meer een waardescheppend doel in zich.

Dit is evenwel een ontkenning van onze meest alledaagse levenservaring. Immers, dat ik kan nadenken, Nederlands spreek, enkele vreemde talen beheers, enig overzicht heb over de Europese geschiedenis en wetenschap, mezelf kan oriënteren in de wereld is niet zozeer een middel voor een ander doel, maar maakt mij tot een vrij mens en definieert mijn identiteit. Het vormt mij tot de mens die ik ben.

Wat hier geldt voor een individu, geldt des te meer voor een cultuur als geheel. Dat we op niveau met elkaar van gedachten kunnen wisselen, is geen middel tot een doel, maar maakt deel uit van het goede leven. Door het geweld van globalisering en subjectivering van alle waarden lijkt het wel alsof we ook het zicht verliezen op de waarde van de universiteit.

Door de nadruk op economiseerbare productie gaat men eraan voorbij dat de universiteit als onderwijsinstelling van oudsher een vormende taak heeft. Sinds de Middeleeuwen is zij erop gericht de maatschappelijke, bestuurlijke elite ‘in vorm’ te brengen. Zij bestudeert niet alleen, zij cultiveert. Vorming is haar eerste en meest elementaire valorisatie! Dat gebeurt in verschillende landen op verschillende manieren, maar steeds belichaamt de universiteit deze hoogste zorg voor kennis en vorming van de gemeenschap.

De laatste decennia is men door alle nadruk op productie draaien en geld verdienen doelen en middelen door elkaar gaan halen. Daardoor kwam ook deze zorg voor vorming onder druk te staan. Een dergelijke ‘zorgeloosheid’ staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een omvattender proces van globalisering en virtualisering dat in de jaren negentig een enorme versnelling onderging. De verschillende crises waarin wij momenteel verkeren, houden allemaal verband met deze ingrijpende transformatie van onze samenleving.

Inmiddels blijkt binnen dit proces juist weer het fenomeen van het land, de streek en de stad – kortom de locatie – op te spelen; nieuwe vormen van begrenzing dienen zich aan. Het brengt sociologen er wel toe te spreken van ‘glocalisering’ als het dynamische samenspel tussen de globale en lokale orde. We zien momenteel in heel Europa dat er naar een nieuw evenwicht wordt gezocht tussen deze orde van het globale en de orde van het lokale.

De agenda van de universiteit wordt ondertussen nog bepaald door deze geestelijke horizon van de roaring nineties. Maar die horizon volstaat niet meer. Het volk verwacht een zinvol verhaal van zijn elite waarin ook voor dit lokale en nationale gezorgd wordt, terwijl de universiteit – als vormingsinstelling van die elite – er juist toe neigt haar lokale bedding te verwaarlozen. Hoe minder deze bedding wordt gecultiveerd, hoe meer zij zich in een ongecultiveerde vorm zal manifesteren.

We dienen te bedenken dat de universiteit altijd ook een instelling is geweest van ‘vertaling’. Verschillende vormen van kennis, uit verschillende tijden en culturen werden bijeengebracht. Vakspecifieke en generalistische kennis kwamen bij elkaar, vaak ook met kritiek op elkaars pretenties. Sinds de Middeleeuwen was de basis van dit alles de cultivering van taal – het Latijn – die tegelijk ook de zorg inhield voor het ordentelijk denken en communiceren. Vanaf de vertaling van de Bijbel in de volkstalen zien we dat aan de westerse universiteiten de eigen volkstalen worden gecultiveerd. Bij de preek van de dominee kwamen hoge en lage cultuur met elkaar in aanraking, in taal, beelden en symbolen. De zorg voor de hoogste kennis diende zo ook de eigen gemeenschap; zij begeesterde de wereld. Dat was nog eens valorisatie. Datzelfde gold voor de Verlichting en zelfs nog voor de universiteit van de jaren zestig.

Een dergelijke begeestering lijkt momenteel ver te zoeken. In plaats daarvan zien we een grote druk tot regulering en uniformering van wetenschappelijke activiteiten. Deze druk komt voort uit een abstracte systeemdwang die irrationeel is omdat niet meer wordt gevraagd naar de zin ervan. Er zou veel bij gewonnen zijn indien men rationeler en praktischer zou kijken naar de inrichting van academisch onderwijs en onderzoek. Dat wil zeggen met het oog op haar bestaansreden en missie: de zorg voor kennis en vorming in relatie tot de samenleving. Wat achten we in het licht daarvan zinnig en wat niet?

Gegeven de diversiteit aan wetenschappen kan dat niet zomaar algemeen worden vastgesteld. Zo kan de nadruk op artikelenproductie in (Engelstalige) toptijdschriften zinvol zijn bij exacte natuurwetenschappen, bij de geesteswetenschappen is dat minder het geval. Hier is doorgaans het boek veel belangrijker om fundamentele inzichten te presenteren. Indien men zich bedenkt dat de gemiddelde leesdichtheid van artikelen in sommige vakgebieden enkele personen bedraagt, wordt de vraag naar de zin van deze massaproductie des te prangender. Uiteindelijk kan men namelijk zo aan het produceren raken dat het lezen van anderen erbij inschiet. Deze druk tot ‘overproductie’ van artikelen kan avontuurlijk onderzoek en de ontwikkeling van brede academische kennis in de weg staan.

Bovenal dienen we ons af te vragen wat de zin van wetenschappelijke kennis is. We kunnen kennis nastreven omwille van technische toepasbaarheid of economisch nut, maar dat zijn niet de enige mogelijkheden. Er is ook kennis omwille van de kennis zelf. En klassieke talen, geschiedenis, filosofie en theologie werden in het verleden ook altijd bestudeerd om de eigen taal en cultuur te verrijken. Ze waren praktisch vormend. Dat wisten de Engelsen maar al te goed. In de welsprekendheid van hun parlementariërs klinkt de kennis van de klassieke retorica door.

Hoe dan ook geldt dat een universiteit die het contact wil behouden met het volk ook de nationale taal en de publieke ruimte dient te cultiveren. Dit behelst meteen al een kritiek op het oprukkende gebruik van het (Neder-)Engels in ons onderwijs en onderzoek; zeker in die gevallen waar het overduidelijk geen praktisch doel dient. Veel studenten zouden voor hun toekomstige beroepspraktijk meer gebaat zijn bij een betere beheersing van het Nederlands met al zijn poëtische en retorische mogelijkheden. In andere gevallen is kennis van Duits aan te bevelen: de taal van onze belangrijkste handelspartner.

De carrièrematige nadruk op onderzoek aan de Nederlandse universiteiten – in de vorm van (Engelstalige) artikelenproductie – heeft er mede toe geleid dat onze universiteiten in vergelijking met andere landen matig scoren met onderwijskwaliteit. De lage waardering werkt door in het hele onderwijsgebouw. Zo zijn de universitaire vakwetenschappen nauwelijks meer betrokken bij het voortgezet- en beroepsonderwijs. De ontwikkeling van leergangen door hoogleraren en docenten is in veel vakgebieden stilgevallen. Het levert immers nauwelijks ‘onderzoekspunten’ op. En voor de rankings kun je het beter helemaal laten. Ook de deelname van universitair geschoolde leraren aan het onderwijs is te gering. Veel organische verbindingen tussen de vakdisciplines aan de universiteit en andere onderwijsinstellingen zijn verbroken. De eigen voedingsbodem werd aan zijn lot overgelaten.

De kwantitatieve bubbelvorming heeft ook in de wetenschap de vraag naar kwaliteit urgent gemaakt. Het gaat evenwel om iets fundamentelers. Wat onze universiteiten betreft is nieuwe realiteitszin gewenst, waarin we niet terug willen naar vroeger, maar ook niet kritiekloos het eendimensionale discours van globalisering omarmen. De universiteit zal opnieuw haar taak als vormingsinstelling op waarde moeten schatten. De kennis die in internationale netwerken wordt opgedaan, dient ook te worden vertaald naar de eigen gemeenschap, en omgekeerd. Dat impliceert een andere, meer diverse cultuur van waardering voor academische activiteiten, met het oog op de unieke missie en bestaansreden van de universiteit. Dan pas getuigt zij ook van praktische wijsheid.

Het lijkt erop dat het tij keert. Laten we daarom onze bestuurders veel praktische wijsheid toewensen – en moed ook om haar in de praktijk te brengen.