Een ‘golden boy’ van McKinsey die door Pim bij het CDA kwam

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: CDA-senator Wopke Hoekstra. Ofwel: hoe een moderne man, behept met uitzonderlijk succes, verlangt naar ouderwetse gemeenschapszin.

Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Wopke Hoekstra is zo’n man van wie je weet dat de tv-programma’s hem op een dag zullen ontdekken. Ik zocht hem dinsdag op, in de Eerste Kamer, waar hij tot de jongste leden behoort.

Ik wilde schetsen wat voor talent het CDA achter de hand heeft, nu het erop lijkt dat die partij op de weg terug is.

Wopke Hoekstra (38) is niet het type dat zichzelf in het centrum van de aandacht plaatst. Ook geen doorsnee-CDA’er.

Opgegroeid in een milieu van artsen, zoon van een hoogleraar, rechten en geschiedenis in Leiden en Rome, preses van Leidse Studenten Vereniging Minerva, paar jaar Shell, een jaar INSEAD. Sinds 2006 McKinsey, sinds 2011 senator. Met een gouden lepel in de mond geboren, zou je kunnen zeggen.

Evengoed een speelse figuur. Iemand met ongegeneerd plezier in de eigen nieuwsgierigheid. „Zo”, lachte hij. „Nu wil ik wel eens weten wat jij allemaal over mij uitgevonden hebt.”

We zaten in zo’n statige hal van de Eerste Kamer, het regende, senatoren schreden voorbij. „Toen ik hier in 2011 kwam”, vertelde hij, „was ik als 35-jarige de jongste van de CDA-fractie. De één na jongste was 50.”

We begonnen over zijn partij en Tweede Kamerlid Norbert Klein kwam voorbij. Met hangende schouders liep de fractievoorzitter van 50Plus senator Jan Nagel tegemoet, die Klein zijn kant op commandeerde. Het was de voorbode van het drama dat zich woensdag in de ouderenpartij voltrok: 50Plusminus.

Het CDA dus. Verrassend goede uitslagen bij de lokale (grootste partij) en Europese verkiezingen (meeste zetels), hoewel de lage opkomst het beeld vermoedelijk flatteerde. Buma de onbetwiste leider, ondanks een jaar van soms onnatuurlijke oppositie. Ontluikende kansen op regeren, nu VVD en PvdA het steeds moeilijker met elkaar hebben.

Hoekstra zei dat vooral de raadsverkiezingen hem opbeurden. „Ik ben een cijferaar, ik heb de uitslagen wel twintig keer door de computer gehaald”, vertelde hij. Tot zijn tevredenheid bleek dat het CDA zowel onder de jongste als de oudste kiezers weer de grootste is. En dat de partij, meer dan enige andere, in staat blijft hoge en lage inkomens, hoog- en laagopgeleiden, christelijke en niet-christelijke kiezers in ongeveer gelijke mate aan zich te binden. „De brede volkspartij: dat vind ik mooi”, vertelde hij. „Voor dat ideaal zit ik in het CDA.”

Een ideaal waar sleet op zit, zeker onder jongere politici - en helemaal onder high potentials als Hoekstra. Dat is ook het interessante aan hem: een modern leven van succes gecombineerd met een ouderwetse hang naar gemeenschapszin.

Niet dat de overwinning van het liberalisme zijn weestand wekt. Welnee. Hem houdt bezig hoe het verder moet. „Ik ben een post-liberaal”, legde hij uit. „We zijn op een hypergeïndividualiseerd punt van de geschiedenis beland.” Alle samenhang kan wegvallen. „Dus de vraag is: hoe zorgen we dat mensen verder kijken dan alleen hun eigenbelang?”

Wopke Hoekstra bleek een product van Pim. Destijds woonde hij in Berlijn, waar hij, net afgestudeerd, leiding gaf aan Shell-stations en een fusie met een Duitse concurrent in goede banen leidde. „Die Duitsers bleven maar vragen: wat is er toch aan de hand bij jullie?”

Hij had zich nooit met partijpolitiek geëncanailleerd. Hoekstra voelde zich meer tot geschiedenis aangetrokken – van huis uit al: een milieu van NRC-lezers waar het gesprek vaak belandde op de twintigste eeuw. „De banaliteit van het kwaad”, zei hij. „Het beangstigende tempo waarmee een geciviliseerd land als Duitsland radicaliseerde.”

Het verklaarde waarom de politieke instabiliteit na Fortuyn hem zo frappeerde. „Hoe kon een land dat zóveel te bieden heeft in deze fase belanden? De onrust, de ontevredenheid. Het ene kabinet na het andere dat viel.” En nieuwe partijen die alleen opkomen voor een bepaald belang, of een bepaalde generatie. „In een democratie is iedereen de elite. Is iedereen koning. Maar wat brengt het ons?”

In hem groeide een verlangen naar de saaie politiek van Lubbers en Ruding – bewindslieden uit de tijd dat hij nog met autootjes speelde. Bovendien merkte hij in 2006, na zijn terugkeer in Nederland dat – hij formuleerde nu extra voorzichtig – „het land iets sneller naar rechts was opgeschoven dan ikzelf”.

Na zijn Duitse Shell-jaren was hij overgestapt naar het hoogaangeschreven INSEAD, de Franse opleiding voor topmanagers. Hij werd er getroffen door de kracht van de diversiteit. „Het grootste contingent studenten waren Indiërs. Daarna kwamen de Fransen, daarna de Chinezen. Voor je perspectief op de wereld nogal nuttig.”

In Nederland leek het alsof alle immigratie slecht is. Het stoorde hem. Niet dat hij de anti-populist wilde uithangen: neerkijken op kiezers vindt hij dom. „Maar we vergeten hoeveel kennismigranten kunnen toevoegen”, zei hij. Kijk eens hoe de Republiek in de Gouden Eeuw profiteerde van de Hugenoten. „We moeten vanuit de politiek óók zeggen dat dit land belang heeft bij de komst van toptalent.”

Zodoende combineerde hij zijn terugkeer naar Nederland, waar hij bij McKinsey in dienst trad, spoedig met een lidmaatschap van het CDA. Werken voor een verscheidenheid van cliënten bij McKinsey – hij is inmiddels partner – vindt hij heerlijk, maar details geeft hij niet: die zijn vertrouwelijk. Voor het CDA ligt dit anders. „Ik ben een man van het midden”, zei hij. „Iets rechts van het midden misschien.”

In 2010, toen de partij verdeeld was over de gedoogrol van de PVV, koos hij tegen samenwerken met Wilders, gaf hij aarzelend toe. Zijn motivatie om in het CDA actief te worden, zijn afkeer van bestuurlijke instabiliteit, gaf de doorslag. „Ik was bezorgd voor chaos, voor de partij en voor het land.” Gelukkig is het achter de rug. „Yesterday’s news.”

Ook in 2010 zei hij nee tegen een Tweede Kamerzetel: hij wilde niet weg bij McKinsey. Een jaar later ging hij gretig in op het verzoek zitting te nemen in de senaat, een deeltijdfunctie. Hij trof er een fractie van ruimhartige routiniers, zei hij, die hem belangrijke dossiers gunden.

Hij leerde dat je in de senaat „gedoseerd eigenwijs” moet zijn. Zoals in 2012, toen hij inzake de nieuwe Nationale Politie reparatiewetgeving eiste om de verhouding van korpschef en minister beter vast te leggen. „Ik wilde geen zbo-achtige toestanden.” Het duurde even. „Er was een tijd dat mijn naam op het ministerie niet zonder vloeken werd uitgesproken.”

Hij positioneerde zich als moderne CDA’er, die als enige van zijn fractie voor het adoptierecht voor lesbiennes stemde. Voor hem telde vooral „dat alle mensen gelijkwaardig behandeld worden”.

En hij leerde hoe opportunistisch politiek kan zijn. Zelf zei hij in de senaat vele malen dat hij wil dat Rutte II de rit uitzit, terwijl zijn partij vanuit de Tweede Kamer elke samenwerking afwees en geen kans liet lopen het kabinet te verzwakken. „De Tweede Kamerfractie maakt zijn eigen keuzes”, zei hij zuinig, „daar ligt het politieke primaat en dat vind ik verdedigbaar.”

Maar impliciet liet hij merken dat hem een positionering rechts van de VVD, zoals sommigen in het CDA prefereren, niet aanspreekt. „De middenpositie is de kracht van onze partij.”

Hij wil dat het CDA kiest voor „moderate views, strongly held”. Als er een tekort aan donornieren is, zou de overheid niet-donoren minder rechten op donornieren kunnen geven. Als de nationale hypotheekgarantie te veel kost, kan de overheid zich afvragen of echtparen die scheiden nog in aanmerking komen. „We mogen iets terugvragen van de burger”, zei hij. „We zitten nu in een moeras van goede bedoelingen die zich tegen de maatschappij als geheel keren.”

Wat politiek en samenleving moet binden, beaamde hij, is dat ze hun behoeftebevrediging uit kunnen stellen. Politici die hun hang naar snel succes temmen. Burgers die niet alleen instant eigenbelang najagen. „Ik vind dat een mooie definitie van geluk”, zei Hoekstra. „Iets heel graag willen en dan zeggen: maar toch ik doe het even niet.”

Hij sprak gretig over al die politiek, maar hield zich abrupt op de vlakte toen ik, nogal plichtmatig, vroeg of hij ooit een voltijdbaan in diezelfde politiek wilde: die dingen zijn nu eenmaal onvoorstelbaar, en wie er te vroeg over praat schakelt zichzelf uit. Je kon aan zijn reserves merken, bedacht ik later, dat Wopke Hoekstra ook voor zichzelf voortreffelijk in staat is zijn behoeftebevrediging uit te stellen.