De man van die necrofiele, homoseksuele eend

Interview

Het leven van bioloog Kees Moeliker veranderde toen hij een eend een dode soortgenoot zag verkrachten. Hij verzamelt nu ‘dode dieren met een verhaal’.

tekst Rinskje Koelewijn

Kees Moeliker zit op een terras in het museumpark in Rotterdam. Te zien: hijskranen, beton, baksteen, asfalt en glas. Te horen: drilboren en auto’s. Hij, bioloog en conservator bij het Natuurhistorisch Museum, ziet iets anders: een nijlgans, diverse stadsduiven en (met zijn verrekijker) twee slechtvalken op de blauwe gevelletters van het Erasmus-ziekenhuis. „Daar is hun hang-out.”

Als hij na de lunch door het park naar ‘zijn’ museum loopt, hoort hij links een waterhoen en rechts een tjiftjaf.

We staan stil bij de glazen nieuwbouwvleugel van het museum. Op de bovenste verdieping, waar het raam open staat, is zijn kantoor. Vlak daaronder is een grote witte sticker op het glas geplakt. Het lijkt een barst. Ter hoogte van die plek vloog op 5 juni 1995 een mannetjeseend zich te pletter. Kees Moeliker hoorde de klap, keek uit het raam en zag dat de dode woerd 75 minuten lang werd verkracht door de mannetjeseend die hem eerder achtervolgde.

Elk jaar op 5 juni om 17.55 uur is het nu Dead Duck Day. Een korte openluchtceremonie voor iedereen die erbij wil zijn, met het laatste nieuws over opmerkelijk dierengedrag – gevolgd door een zesgangeneendenmenu bij restaurant Tai Wu in Rotterdam.

Een grap? Ja en nee.

Kees Moeliker zegt ook, heel serieus, dat de dode eend zijn leven heeft veranderd. Hij schreef een (serieus) artikel over dit eerste gedocumenteerde geval van homoseksuele necrofilie onder eenden. En daarmee won hij in 2003 de Ig-Nobelprijs. Dat is een prijs voor wetenschappelijk onderzoek dat aanzet tot lachen én denken. Elk jaar reiken winnaars van de echte Nobelprijs de prijzen uit op de universiteit van Harvard.

Kees Moeliker, van origine leraar biologie en aardrijkskunde, reist sindsdien de wereld over van symposium naar universiteit. Hij is net terug uit Londen voor de première van de dode-eendopera, opgevoerd tijdens een Ig-Nobelavond daar. De volledige tekst van Moelikers wetenschappelijke artikel werd gezongen door een sopraan, begeleid door drie violen, een cello en een klarinet. „Ik heb de componist laten weten dat ik niet onverdienstelijk de eendenlokfluit bespeel. Hij heeft op de valreep de partituur kunnen aanpassen.”

Op elke reis gaat de eend mee. „Dat moet. Ik draag hem altijd het podium op in een lokaal plastic tasje. Liefst een van de goedkoopste supermarkt ter plekke. Elke leraar weet dat je direct de aandacht hebt als je iets in je handen houdt.”

De reiseend is een stand-in. „Een gebalgd exemplaar, dat is de wetenschappelijke manier om een dier te preparen. Meer dan gevilde huid gevuld met watten en houtwol is het niet. Alleen een stokje eraan om hem vast te houden.” De ‘echte’ eend komt het museum niet uit. Die is onderdeel van de vaste collectie ‘Dode dieren met een verhaal’.

In die collectie zit ook: de dominomus, die werd afgeschoten toen hij 23.000 >> >> dominosteentjes omver had gevlogen en daarmee het wereldrecord dreigde te verpesten. De McFlurry-egel die stikte in een ijsbekertje. De traumameeuw, die een gat vloog in de cockpit van een traumahelikopter. „Sinds de necro-eend krijg ik van over de hele wereld pakketjes met hele dieren opgestuurd.” Eens in de twee weken schrijft hij een stukje over zijn nieuwste aanwinsten op de achterpagina van NRC Handelsblad.

Shoarmavos en roadpizza

Wat al die dieren gemeenschappelijk hebben, is hun dodelijke ontmoeting met de mens. Ze zijn slachtoffers van de stad. En ze zijn het dode bewijs dat cultuur en natuur steeds meer vermengd raken.

Nou is dit jaar, tot in augustus, de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam. Het thema is: Urban by Nature. Hét moment voor Kees Moeliker om zijn roadpizza’s (platgereden egels), de shoarmavos en het duivennest van prikkeldraad en kippengaas tentoon te stellen in de expositie Pure veerkracht over stadsnatuur.

Want asfalt en baksteen mogen dan misschien bomen en planten verdringen, hij kijkt liever naar de vogels, vossen en planten die oprukken in de stad. „De stad is een warm nest. De temperatuur is er net iets hoger dan in de buitengebieden. Er valt van alles te schooieren. En richeltjes, muurtjes en schoorstenen bieden gerieflijk onderdak.”

Nog even over de shoarmavos, die is een jaar of twee geleden gevonden, ook een verkeersslachtoffer. In zijn maag één shoarmabroodje (inclusief servetje), een konijn, een hapje kersen op zware siroop en wat rozenbottels. „Een ideaal grootstedelijk menu.”

Zestig procent van de wereldbevolking woont nu in een stad. De dieren verhuizen mee. „In elk park, elke tuin en onder elke steen is genoeg natuur te vinden. Maar veel mensen zien dat niet.” Dat is de onderliggende boodschap van de dierenverhalen die Moeliker vertelt. „Let op hoe je de stad inricht. Zorg voor groene routes waarlangs dieren zich kunnen verplaatsen. Pas op vervuiling, let op verkeersaders, op glazen gevels.”

Hij wijst naar de gebouwen in en rond het museumpark, het Natuurhistorisch Museum incluis. „In de Verenigde Staten sterven een miljard vogels door botsingen met glas. Dat is meer dan alle slachtoffers van huiskatten, verkeer, hoogspanningslijnen, windturbines, jacht, pesticiden en olielozingen bij elkaar.” Dat is de serieuze boodschap van Dead Duck Day. „Simpele ultraviolette folie op de ramen voorkomt botsingen.”

Spijbelen, vogels kijken

Is Kees Moeliker zo’n natuurvriend? Niet per se. De zwerm vliegjes die ons op het terras omsingelen noemt hij „een plaag”, zeker als ze zijn mond en neus in vliegen. De vijver naast het terras is een insectenparadijs. „Net verbouwd. Schoon water erin. Maar geen vissen.”

Huisdieren? Hij piekert er niet over. >> >> Nee, ook niet het aquarium dat zijn jongste twee dochters van 6 en 3 zo graag willen. „Want wie staat dat straks schoon te maken?” Tuinieren dan? „Alsjeblieft, zeg.” Het enige groen op zijn patio in Rotterdam-Oost zijn de overhangende planten van de buren.

Hij is in Rotterdam geboren. En hij is er nooit meer weggegaan. Zijn vader en moeder, nu 80 en 79, wonen nog in het ouderlijk huis. Zijn vader was veertig jaar technisch tekenaar bij de PTT. Zijn moeder huisvrouw. Eén jonger broertje. Alle vakanties vierden ze op Walcheren.

Je vraagt je af hoe Kees Moeliker ooit bioloog is geworden. „Daar is een duwtje voor nodig”, zegt hij. Dat kwam van de buurman, bioloog. „Hij gaf me op de cruciale leeftijd een schoenendoos vol fossielen, schedels en schelpen. Daar maakte ik een museumpje mee.” Later, op de havo, besteedde hij elk vrij of gespijbeld uur aan vogels kijken. „Op de fiets, boterhammen mee, verrekijker in mijn pukkel.”

Hij vouwt zijn werktas open, haalt er een legergroen tasje uit. Trots: „Een Duits model uit de jaren zestig.” Hij tuurt door de kijker naar boven. De slechtvalken zijn er nu niet. De nijlgans in de vijver is met het blote oog te zien. „Wist je dat ze in hoge kraaiennesten broeden? Heel bijzonder voor een watervogel.” De nijlgans komt oorspronkelijk uit Afrika, bezuiden de Sahara. „Ze werden hier in waterwildcollecties gehouden. Dit zijn de afstammelingen van ontsnapte kooivogels.”

Aha net als die groene parkieten die je overal ziet? „Halsbandparkieten”, knikt hij. Hij klinkt argwanend. „Wat is daarmee?” Nou ja,die zijn luidruchtig, en ze jagen de merels en de mussen weg toch? „Onzin”, zegt hij. „Exoten zijn een verrijking van de stadsnatuur. Ze zijn vrolijk en lawaaiig, slim en opportunistisch. En dat ze inheemse vogels verdringen, is een misvatting. Het Bureau Stadsnatuur heeft daar uitgebreid onderzoek naar gedaan. De hypothese was dat het aantal spechten en boomklevers daalde. Dat is niet zo.”

Hij is nog niet klaar. „Je kunt wel zeggen: dat dier hoort hier niet. Maar de wereld is veranderd. Iedere vakantieganger neemt vreemde zaadjes onder zijn schoenen mee, of insecten in zijn tas. De halsbandparkiet is nu de hoofdprooi van de slechtvalken hierboven. En enig idee wat er onbedoeld de Rotterdamse haven binnenkomt?”

Ze kennen de kat

Hij wil maar zeggen: de dierenwereld is divers en veranderlijk, en dierengedrag is dat ook. Dat is de tweede, serieuze betekenis van het dode eendverhaal. Necrofilie en homofilie zijn doorgaans geen gemakkelijke gespreksonderwerpen. „Tot het over eenden gaat, dan wil iedereen het horen.”

Hoe weet hij zo zeker dat de verkrachtende eend necrofiel was? „Mijn eend stierf snel en dramatisch en stortte neer in een positie die gebruikelijk is bij de paring. Op z’n buik. Mogelijk had de belager niet door dat hij dood was.” Dat het om twee mannetjes ging, is niks bijzonders. „Een op de tien, twintig eenden vertoont homoseksueel gedag. Net als de mens.”

Ten tijde van het ongeluk waren de DNA-technieken nog niet zo goed als nu. „Anders had ik wellicht kunnen aantonen dat ze elkaars verwanten waren.” Vader en zoon ofzo. „Dat zou het summum zijn.”

Kees Moeliker houdt van natuur die de stad omarmt. Van dieren die zich inventief aanpassen. De stadsduif is maar mooi een nakomeling van de rotsduif uit het hooggebergte. Waarom helemaal naar een bergrichel vliegen als er in de stad overal raamkozijnen zijn om op te zitten? Of neem de merel, die nu ook de maairobot heeft ontdekt. „Ze kennen de voorgeprogrammeerde route van het maaimachinetje uit hun hoofd.”

Precies op tijd zitten ze klaar om de uit de grond getrilde wormen op te pikken. Merels weten dat, omdat ze honkvast zijn. „Eén tuin, één merel. Ze kennen de kat, weten wanneer het tafelkleed wordt uitgeklopt. De robot hebben ze nu ook door.” Uiteraard, zegt hij, zal dit alles leiden tot een lijvige publicatie. <<