Obama verweert zich tegen kritiek op z’n buitenlandbeleid

Amerika blijft een leidende rol spelen, maar zal minder vaak militair ingrijpen

Amerika is nog altijd de onbetwiste supermacht. Maar die macht gaat gepaard met terughoudendheid. Militair ingrijpen gebeurt alleen bij hoge uitzondering. De VS zullen veel meer werk laten opknappen door landen ‘in de frontlinie’ van de oorlog tegen terrorisme, zoals Jemen, Somalië of Mali.

Dat is, kort gezegd, de Obama-doctrine. De Amerikaanse president ontvouwde zijn ideeën over de rol van de VS in de wereld woensdag in een rede voor kadetten van de militaire academie in West Point, in de staat New York.

Obama benadrukte dat militaire dominantie grenzen kent. „Dat we de beste hamer hebben, wil nog niet zeggen dat ieder probleem spijker is.” Hij verwierp twee wereldbeelden die invloedrijk zijn in Washington: het interventionisme (zeg maar: de George W. Bush-school) en het isolationisme, met de Republikein Rand Paul als belangrijkste woordvoerder. Obama plaatst zichzelf tussen deze extremen. De tijd is voorbij, zei hij, dat we landen binnenvallen „omdat ik ergens een probleem zie dat moet worden opgelost”. „Sommige van onze kostbaarste fouten komen niet voort uit terughoudendheid, maar omdat we ons in militaire avonturen stortten zonder over de gevolgen na te denken.”

Maar zich terugtrekken uit de wereld wil Obama evenmin: „De vraag is niet óf Amerika zal leiden, maar hóe Amerika zal leiden.” Amerika moet een derde weg bewandelen, door meer samen te werken met internationale partners. Obama vroeg het Congres om vijf miljard dollar, om onder meer troepen in Jemen te trainen, een internationale troepenmacht in Somalië te steunen, en Libië te helpen met grenscontroles.

De president kreeg afgelopen maanden veel kritiek op zijn buitenlandbeleid. Kritiek dat het te veel is (aldus libertairen) of te weinig (aldus voorstanders van interventie), is Obama wel gewend. Nieuw is de ergernis in eigen Democratische kring over een gebrek aan visie. Internationale crises – Oekraïne, Syrië, Libië – vragen om een Amerikaans antwoord. Maar Obama’s reactie was chaotisch. „Amerika’s buitenlands beleid is in staat van wanorde”, zei ex-topdiplomaat Richard Haass.

De president koos een symbolische plaats voor zijn speech. In juni 2002 zette zijn voorganger George W. Bush op dezelfde plek de Bush-doctrine uiteen, van het militair straffen van landen die terrorisme steunen. Obama heeft zijn buitenlands beleid altijd gedefinieerd als antithese van het tijdperk-Bush: hij zocht toenadering tot de islamitische wereld, beëindigde de Amerikaanse rol in Irak en bouwt de oorlog in Afghanistan af.

Maar Obama, die de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, is nooit een duif geweest. Hij wil de oorlog tegen terrorisme niet stoppen, maar kiest alleen voor andere middelen, zoals drones. In Jemen, Pakistan en Somalië zijn daar al enkele duizenden doden mee gevallen. En hij is niet van plan die drone-oorlog af te bouwen. Dat heeft ook een praktische reden: terreurnetwerken zijn verkruimeld en houden zich niet aan landsgrenzen.

De kritiek is dat Obama niet consistent is: in Libië greep hij wel in, in NAVO-verband, in Syrië blies hij een aanval op het laatste moment af. Obama noemde in West Point het bevorderen van mensenrechten als belangrijk criterium voor interventie, maar maakte ook duidelijk dat alsnog ingrijpen in Syrië niet aan de orde is.