Nieuwe spelregels om te overleven

Anders dan het voetbal kent het hockey steeds nieuwe regels. Op weg naar grotere doelen? Of minder spelers?

Het GreenFields stadion, het tweede veld van het WK hockey in Den Haag.
Het GreenFields stadion, het tweede veld van het WK hockey in Den Haag. Foto Robin Utrecht

In zijn statige Haagse kantoor denkt Ties Kruize even na. Dan schudt hij zijn hoofd. Nee, hij weet op dit moment niet te bedenken wat hij zou willen veranderen in de hockeysport. Dat is ook ondoenlijk, zegt de voormalige tophockeyer uit de jaren zeventig. „Kijk naar de self-pass [een vrije bal hoef je niet meer naar een ander te spelen]. Een geniale vinding, maar eigenlijk zoiets simpels. Toch heeft het 120 jaar geduurd voordat iemand het bedacht. Dus ja, dat schud je niet even uit je mouw.”

Op verzoek werpt Kruize deze middag zijn licht op de veranderingen die zijn sport in de loop der jaren heeft ondergaan. Dat zijn er veel. Alsof hockey is verwikkeld in een oneindig evolutieproces. Het gaat maar door en zelfs kenners hebben soms moeite om alle wijzigingen bij te houden.

Voorbeelden te over: het afschaffen van buitenspel, de introductie van doorlopend wisselen (beide 1996), de komst van de videoscheidsrechter (2006), de self-pass (2009), het afschaffen van een eigen doelpunt (2014) en de meest recente: de invoering van vier keer 15 minuten in plaats van tweemaal 35 bij internationale wedstrijden.

Kortom: geen sport zo veranderlijk als hockey. Helemaal vergeleken met de voetballerij, waar de meeste bestuurders zo conservatief zijn als gelovigen rond de bijbelgordel. „Maar ik zie ook niet met welke nieuwe spelregels het voetbal nog beter kan”, zegt Kruize, die ruim tweehonderd interlands speelde en erelid is van de hockeybond. „Hockey daarentegen moet zich continu vermarkten. Zieltjes winnen, daar gaat het om. Dat is waar die innovatiedrift uit voortkomt.” Voetbal heeft dat volgens hem niet nodig.

Floris Jan Bovelander en Jonas van ’t Hek zien ook de noodzaak van voortdurende innovatie. De een is voormalig tophockeyer, de ander al jaren scheidsrechter op internationaal niveau. „Stilstand is achteruitgang”, meent Bovelander. Van ’t Hek: „Hockey staat als wereldsport onder druk. Daarom zijn bestuurders altijd bezig met de vraag: hoe maken we de sport zo aantrekkelijk mogelijk voor het publiek?”

Tot die bestuurders behoren voormalig hockeycoach Maurits Hendriks, nu technisch directeur van NOC*NSF, voorzitter van wereldhockeybond Leandro Negre en Marijke Fleuren, preses van de Europese hockeyfederatie. Per jaar komen zij enkele malen bijeen om te bespreken wat anders kan. Doel van deze bijeenkomsten: de olympische status van hockey, die nu wankel is, verstevigen.

In dit kader bedacht Hendriks in 2008 de self-pass, een geniale vinding volgens de drie ondervraagden. De self-pass houdt in dat spelers een vrije bal voor zichzelf mogen nemen, waardoor het spel niet onnodig lang stilligt. Plus – en dat is een bijkomend voordeel voor scheidsrechters: spelers krijgen door de self-pass geen kans om te protesteren. „Het kan wel”, zegt arbiter Van ’t Hek, „maar het spel gaat gewoon door.”

De regel is in zijn ogen de waardevolste toevoeging aan het hockey. Op plek twee komt de videoscheidsrechter, waarop hij tijdens internationale wedstrijden bij onduidelijke spelsituaties een beroep kan doen. „Er zijn zo veel camera’s dat wij als scheidsrechter snel de correcte beslissing kunnen maken. Spelers hoeven dan niet meer te klagen. Beelden liegen niet.”

Eenzelfde innovatie zouden ze bij voetbal moeten toepassen, stelt Kruize. Dat dit nog niet is gebeurd, vindt hij onbegrijpelijk. „Het komt voor dat een doelpunt niet wordt geteld, terwijl de bal zó’n stuk over de lijn is.” Hij houdt zijn armen een meter uit elkaar en kijkt verontwaardigd. „Zo’n onrechtvaardige situatie kun je in dit tijdperk toch niet meer verkopen? Er staat zo veel op het spel. Met een videoscheidsrechter gebeurt dat niet. Of zo’n besluit lang duurt? Nee, hoor. Gewoon terugkijken en hup, beslissen.”

Geheel blind is de voetbalwereld niet voor succesvolle spelregelwijzigingen in het hockey. Van ’t Hek kan het weten. Hij floot vorig jaar op een voetbaltoernooi waarop hockeyregels werden gehanteerd als probeersel. Zoals de self-pass, onbeperkt wisselen en een intrap in plaats van inworp. Het spel verliep veel sneller. „Voor mijn gevoel was het ook aantrekkelijker.”

Roze bal

Terug naar hockey. Bloemendaal-aanvoerder Bovelander was halverwege de jaren tachtig faliekant tegen het moderne kunstgras. Hij is tegenwoordig veel milder als het gaat om vernieuwingen. „Uiteindelijk bleek kunstgras supergaaf te zijn. Zo veel sneller ook.” Op de vraag wat hij vindt van een blauw veld, zoals op de Spelen van Londen, zegt hij: „Maakt me niks uit. Met de veteranen hebben we ook al eens met een roze bal gespeeld. Het is mij om het even.”

Niet elke verandering is voor hem overigens een verbetering. Neem bijvoorbeeld de wijziging van internationale duels, die vanaf september bestaan uit vier kwarten van vijftien minuten. Bovelander: „Leuk voor de tv-kijker, die in de extra pauzes herhalingen kan bekijken. Maar niet voor de betere teams. Die hebben tijd nodig om op gang te komen, om de opponent stuk te spelen. Maar door de extra pauzes kan de tegenstander telkens weer op adem komen.” Met minder fouten tot gevolg, en dus minder spektakel. Om in termen van Kruize te spreken: „Hockey wordt zo een schaakspel.”

Dat is tot dusverre de verwachting op korte termijn. Maar wat brengt de verdere toekomst als het aan mannen als Bovelander en Van ’t Hek ligt? Minder spelers opstellen, stelt Bovelander voor. „Eén of twee. Daardoor ontstaat meer ruimte om kansen te creëren en vallen er meer doelpunten.” Arbiter Van 't Hek sluit zich daarbij aan. „Of een groter doel. Dat brengt ook spektakel.”