Aanliggen bij de Romeinen

Romeinen aten met hun rechterhand, lagen op hun linkerarm en wilden bij het diner ook wat te ruiken hebben. Academici spreken op een festival over Romeinse eetgewoonten.

Op het tweejaarlijkse Romeinenfestival, dit weekend weer in Nijmegen, spelen mensen het Romeinse leven na.
Op het tweejaarlijkse Romeinenfestival, dit weekend weer in Nijmegen, spelen mensen het Romeinse leven na. Foto’s Romeinenfestival

De archeoloog, oudhistoricus en classicus komen dit weekend naar het grote publiek toe. Op het Romeinenfestival in Nijmegen, dat een paar duizend bezoekers trekt, geven ze lezingen over de eetgewoonten in de Romeinse wereld. Dat is dit jaar het thema. Kim Beerden, historica aan de Universiteit Leiden, is een van de sprekers. „Om de antieke wereld te kunnen begrijpen”, zegt zij, „moeten we ook de voedselcultuur uit die tijd bestuderen.”

Door films en televisieseries staan Romeinse eetgelagen op het netvlies van het grote publiek. Minder bekend is dat ook parfums en geuren bij het eten een rol speelden. „De dichter Catullus nodigt in een van zijn gedichten een vriend uit om te komen dineren en dan belooft hij hem behalve eten zulke zeldzame en aangename parfum dat de vriend een en al neus wil zijn”, vertelt Caro Verbeek, promovenda aan de VU in Amsterdam. Zij heeft zich als kunsthistorica gespecialiseerd in geur in antieke cultuur en moderne kunst en geeft dit weekend ook een lezing op het festival.

Plinius de Oudere (letterkundige en natuurfilosoof, 23-79 na Chr.) begreep al dat geur ook een belangrijk onderdeel van smaak is, aldus Verbeek. „Sommige substanties ruik je alleen als je erop kauwt. Daarom is het volgens hem belangrijk om tijdens een diner binnen en buiten het lichaam door geuren omgeven te worden.”

Voor hun parfums gebruikten de Romeinen onder meer wierook, mirre, kaneel, rozen, venkel en oregano. We kunnen deze geuren reconstrueren en dezelfde prikkels ervaren als Romeinen toen, stelt Verbeek. „Maar we zullen niet dezelfde associaties als Romeinen hebben. Bij nardus ruiken wij alleen een valeriaanachtige geur, maar Romeinen associeerden het ook met status en rijkdom, omdat de plant afkomstig was uit de Himalaya en omdat farao’s met nardus werden gebalsemd.” Naar de mening van de eerste-eeuwse Romeinse puntdichter Martialis overdreven sommige gastheren het gebruik van geuren bij diners. Verbeek: „Hij beklaagde zich erover dat er tijdens een maaltijd meer geur dan eten was.”

Re-enactors

Het Romeinenfestival waarop Verbeek en Beerden spreken, is begonnen als een bijeenkomst van re-enactors, mensen die geschiedenis zo waarheidsgetrouw mogelijk naspelen. Inmiddels is het uitgegroeid tot een tweedaagse gebeurtenis met demonstraties, workshops, rondleidingen, theater, een culturele markt en lezingen door experts. Voor archeoloog Stephan Mols, universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is het de tweede keer dat hij er een lezing geeft. „De vorige keer, in 2012, had de organisatie nog de fout gemaakt lezingen te laten samenvallen met demonstraties door re-enactors. Daardoor waren er bij mij maar weinig toehoorders. Maar dit jaar is alles beter geregeld.”

Mols’ lezing gaat deze keer over de Romeinse tafelschikking en etiquette. „Het algemeen bekende beeld is dat iedereen aanlag. Dat was voor een belangrijk deel ook zo, maar uit afbeeldingen op grafreliëfs krijgen we de indruk dat vrouwen in de eerste eeuw voor en de eerste eeuw na Christus niet mochten aanliggen, maar moesten aanzitten. Waarschijnlijk hebben zij dat overgenomen van de Grieken, bij wie de vrouwen nooit mochten aanliggen.” De aanligbedden stonden altijd in groepen van drie. „Daarom heet een eetzaal een triclinium. Op ieder bed pasten drie mensen.” Er lagen dus negen mensen rond één tafel.

Inde muren van eetzalen in Pompeii zaten uitsparingen voor de aanligbedden. „De bedden stonden zo opgesteld dat iedereen bij de tafel in het midden kon en niemand tegen de rug van een ander aankeek.”

De etiquette eiste dat men op de linkerarm lag en met de rechterhand at, zegt Mols. „Dat blijkt uit een passage van de Metamorfosen van de tweede-eeuwse schelmendichter Apuleius, waarin aan een ezel tafelmanieren worden geleerd.” Het eten werd geserveerd op een kleine tafel in het midden. „Het Latijnse woord voor tafel is mensa, maar mensa betekent ook gang. Er wordt gesproken over de eerste, tweede mensa, enzovoort. Waarschijnlijk werd per gang de hele tafel verwisseld.”

Op die tafel werden soms relmuizen geserveerd, knaagdiertjes met een lange pluimstaart. Dat is een van de onderwerpen waarover Kim Beerden zal spreken. „Wat de Romeinen aten is interessant, maar waarom ze het aten vind ik interessanter.” Terwijl het gewone volk meestal granen at, deed de elite zich tegoed aan speciaal gekweekte vissen, lijsters die in volières werden gehouden en vetgemeste slakken en relmuizen.

De Romeinen wisten al dat de eekhoornachtige diertjes voor hun winterslaap een dikke vetlaag kweken. Ze stopten de relmuizen in een speciale aardewerken pot met gaatjes en mestten ze vet. Beerden: „Dergelijke potten zijn bij opgravingen gevonden.” Het vetmesten van relmuizen met lekkernijen als noten kostte tijd en was het werk van slaven. „Het eten van relmuizen was daarom voorbehouden aan de elite die wilde laten zien hoe rijk ze was. Zoals er nu mensen zijn die kaviaar eten om te tonen dat ze het breed kunnen laten hangen.”

De sprekers op het Romeinenfestival verlenen bewust hun medewerking. „Als academici worden we betaald door de gemeenschap en dus is het onze taak onze kennis uit te dragen”, zegt Beerden. „Het Romeinenfestival is een goede gelegenheid, omdat je weet dat de aanwezigen al enigszins geïnteresseerd zijn.” Ook Mols voelt zich verantwoordelijk. „Als afdeling provinciaal-Romeinse archeologie van de Radboud Universiteit moeten we gewoon betrokken zijn bij zo’n groot aan de Romeinen gewijd festival in Nijmegen. Om de kennis die vroeger in de ivoren toren zat uit te dragen.”

Groot publiek

Rien Polak, collega van Mols aan de Radboud Universiteit en vaste bezoeker van het Romeinenfestival, ziet die ontwikkeling ook bij NWO. „Terecht vragen ze steeds vaker hoe onderzoek onder de aandacht van het grote publiek wordt gebracht.” Toch plaatst hij een kanttekening. „Niet iedere academicus is geschikt zijn kennis aan een groot publiek over te brengen. Daarom geef ik bijvoorbeeld mijn kennis van het Romeinse fort Vechten door aan specialisten die er een tentoonstelling van kunnen maken.”

Mols is op dit moment bezig met Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen en Museum Het Valkhof alle kennis over Romeins Nijmegen te bundelen en het publiek onder meer een vergelijking van de topgrafieën van de Romeinse en moderne stad te kunnen bieden. Maar wil hij ook een stap verder gaan en als academicus onderzoek doen naar vragen die bij het publiek leven? „Ja, we hebben zelfs al een poging gedaan door rondleiders bij Het Valkhof te vragen welke kwesties bij het publiek het meeste leven, maar daar kwam nog niet veel uit.” Ook Beerden staat niet meteen afwijzend tegenover meer invloed van het publiek op onderzoek. „Maar een goede historische vraagstelling formuleren is toch een vak. Mogelijk kunnen publieke instellingen als musea hierbij een bemiddelende rol spelen.”