Waarom kapitalisten Piketty verdedigen

Is het toeval dat in het weekeinde waarin Europa naar de stembus ging er een liberale verdedigingslinie werd gelegd rond Thomas Pikketty’s boek Capital in the Twenty-First Century? Ja, dat is toeval, maar wel een aardig toeval.

Eerst even, in het onwaarschijnlijke geval dat het boek van Piketty de lezer is ontgaan, de theorie in een notendop.

Het rendement (r) op vermogen is, zo betoogt Piketty, structureel hoger dan de economische groei (g), hetgeen neerslaat in zijn inmiddels bekende formule r>g. Een onevenredige verdeling van vermogen leidt zo tot een steeds onevenrediger verdeling van inkomen, omdat inkomen uit vermogen zich houdt aan r, terwijl inkomen uit arbeid zich houdt aan g. Die onevenredige verdeling van inkomen leidt uiteraard ook tot een onevenredige verdeling van vermogen. Waardoor er een spiraal ontstaat van inkomen en vermogensaccumulatie, waarin het kapitaal zich concentreert bij een kleine groep.

R>g is volgens Piketty de normale gang van zaken. Behalve in de twintigste eeuw, toen een forse vernietiging van vermogen plaatsvond, herverdeling de politieke overhand kreeg en de economische groei periodiek hoog was. Maar nu de zaken normaliseren keert de natuurlijke tendens gewoon weer terug en concentreren het inkomen en het kapitaal zich straks wederom bij een elite. Dat gebeurt nu, in de 21ste eeuw. Vandaar de titel van het boek.

Nu kan iedereen dat wel zeggen, maar Piketty’s kracht is dat hij beschikt over een enorme historische databank over inkomen en vermogen waaraan meer dan een decennium is gewerkt. Als Piketty zegt dat de concentratie van vermogen en inkomen begint te lijken op het tijdperk van vlak vóór de Eerste Wereldoorlog, dan kan hij dat zo goed mogelijk bewijzen.

Die databank, en de integriteit waarmee hij is samengesteld, is de kwetsbare plek van het boek. En het is ook daar dat de Financial Times dit weekeinde de aanval lanceerde. Los van de inhoud van die aanval, en het verweer van Piketty, is het aardig om te zien wie hem te hulp schoten. Veel economen van liberale snit én het boegbeeld van het vrije internationale kapitalisme: het blad The Economist, dat hem in maart ook al verdedigde.

Waarom? Liefde voor het vak én voor Piketty’s werk dat hij geheel openbaar heeft gemaakt – waardoor de gedetailleerde kritiek op zijn methode überhaupt mogelijk was. Maar er is nóg een motief denkbaar.

Mocht het zo zijn dat het kapitalisme van nature tot maatschappelijke scheefgroei leidt, dan roept het vroeg of laat zijn eigen revolutionaire tegenkrachten op. Nederland voerde eind 1917 het algemeen kiesrecht in voor mannen, en in 1919 voor vrouwen. Vrijwel alle omringende landen deden dat rond die tijd. Dat was, tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog, geen toeval. De revolutie broeide, en de elite moest een contra-intuïtieve ingreep toestaan om het kapitalisme zelf te redden.

De gevreesde schade viel mee: de arbeider koos uiteindelijk voor welvaart en het systeem dat dit het beste voortbracht – mits die vruchten hem of haar maar enigszins evenredig toevielen.

En nu? Een revolutie broeit er niet, maar de rijzende anti-Europese stem is deels het gevolg van angst en onzekerheid bij veel kiezers over de gevolgen van een onbeteugeld internationale (en intra-Europese) vrije markt.

Het feit dát er gestemd kan worden is weer deels te danken aan de vorige poging dat kapitalisme van zichzelf te redden. Het omarmen van Piketty, het verdedigen van zijn theorie en het accepteren van zijn receptuur – bijvoorbeeld een progressieve vermogensbelasting – kan net als toen een zaak worden van welbegrepen eigenbelang.