DNA-mutatie hazenlip is subtiel

Duits onderzoek verklaart waarom veel kinderen met een hazenlip verder gezond zijn.

Van een van de twee belangrijkste DNA-varianten waardoor schisis (een ‘hazenlip’) ontstaat is eindelijk duidelijk hoe die werkt. De DNA-variant zit niet in een gen, maar in een stuk DNA dat genen aan- en uitschakelt die betrokken zijn bij de vorming van neus en mond.

De studie is uitgevoerd door het Europees Moleculair Biologie Laboratorium (EMBL) in Heidelberg en verscheen zondag online in Nature Genetics. De Duitse auteurs van het onderzoek schrijven dat een schisislip „het extreme uiteinde is van een spectrum” van normale variatie in gezichtsvorm. Zij denken dat menselijke embryo’s die deze DNA-variant bezitten, vatbaar zijn voor allerlei kleine verstoringen, zoals wanneer de moeder rookt of suikerziekte heeft.

De hypothese verklaart waarom de meeste kinderen met een gespleten lip (met of zonder een gespleten gehemelte) verder niet of nauwelijks afwijkingen hebben. Die kinderen – 70 procent van alle kinderen met schisis – hebben blijkbaar geen ernstige mutaties in hun DNA. Eén op de 1.000 Europeanen wordt geboren met een gespleten lip en/of gehemelte.

Het onderzoek gaat over een van de twee belangrijkste DNA-varianten voor schisis. Die variant (op locus 8q24) werd in 2009 beschreven en komt vooral onder Europeanen met schisis veel voor. Locus 8q24 is een stukje DNA dat geen duidelijke functie had. Uit het Duitse onderzoek, uitgevoerd bij muizen, blijkt nu dat het gebiedje de activiteit van ontwikkelingsgenen regelt die elders op hetzelfde chromosoom liggen. En dat regelwerk gebeurt alleen rond de mond en neus.

De muizenembryo’s met mutaties in dat DNA-gebiedje kregen lang niet altijd een schisis. De meeste hadden een iets andere snuitvorm; 8 van de 121 kregen een schisis. Daarnaast hadden alle embryo’s in die weefsels een iets geringere eiwitproductie.

Ook bij mensen kan zo schisis ontstaan, denken de Duitsers. Zij hadden dan in aanleg een iets andere gezichtsvorm, plus een machinerie voor eiwitproductie die wat gevoeliger is voor nadelige milieu-invloeden. Zo kan het kind verder gezond geboren worden, maar toch een schisis hebben.