75 jaar Joseph Roth: opstaan uit het hongerige graf van de beschaving

Tekening Paul van der Steen

Vandaag is het exact 75 jaar geleden dat de Oostenrijks-Joodse schrijver Joseph Roth aan drankzucht overleed. Ter gelegenheid daarvan verschijnen vele boeken waaruit zijn grillige grootsheid blijkt.

‘Wij worden niet oud, wij ballingen’, schrijft Stefan Zweig aan Romain Rolland, als hij te horen krijgt dat Joseph Roth op 27 mei 1939 op 44-jarige leeftijd in een Parijs ziekenhuis aan zijn drankzucht is gestorven. Met die onheilspellende mededeling – Zweig zal drie jaar later zelfmoord plegen – eindigt het recent verschenen Ostende. 1936 – Sommer der Freundschaft van de Duitse publicist Volker Weidermann (1969).

In een mix van literaire geschiedschrijving en fictie beschrijft Weidermann de vriendschap tussen Roth en Zweig, die in de zomer van 1936 in de mondaine Belgische badplaats Oostende zijn neergestreken. Als ‘mensen op de vlucht in een vakantieoord’ proberen ze te vergeten dat hun boeken in Duitsland zijn verboden en hun dagen in Europa geteld.

Tien jaar lang zijn de twee schrijvers bevriend met elkaar geweest. Vanaf hun eerste brieven uit 1929, het jaar vóór de publicatie van Roths roman Hiob, die hem wereldfaam bezorgde, tot aan zijn dood. Weidermann laat zien hoe gecompliceerd die vriendschap was. De succesvolle Zweig, in 1881 geboren in een welgesteld, geassimileerd Weens-Joods milieu, is in veel opzichten het tegenovergestelde van de drinkende zwerver Roth, afkomstig uit de shetl van Galicië. Maar ze delen ook iets: hun Joodse afkomst en hun liefde voor het Habsburgse keizerrijk, dat ze als een bakermat van beschaving zien. Niet voor niets begint hun vriendschap na Zweigs warme woorden voor Roths Juden auf Wanderschaft, een geschiedenis van de wereld van de arme ‘Ostjuden’, waar ook de voorouders van Zweig van afstammen.

Weidermann mengt de feiten met sfeertekeningen en eigen psychologisering van zijn personages. Behalve met Roth en Zweig, brengt hij je zo ook in aanraking met schrijvers als Egon Erwin Kisch, Arthur Koestler, Ernst Toller, Irmgard Keun. Met Keun krijgt Roth een verhouding, die door drank wordt overheerst.

Trouw

Ontroerend is Zweigs trouw aan Roth, die hij ziet als een literair genie en wiens geldnood hij voortdurend lenigt. Maar hij ziet ook hoe Roths alcoholisme zijn creativiteit verwoest. Typerend voor hun verhouding is de scène waarin Roth op een caféterras drie likeurtjes over zijn jasje giet, waarmee hij Zweig emotioneel wil chanteren omdat die bij een chique kleermaker een nieuwe broek voor zijn arme vriend heeft laten maken, maar geen nieuw jasje. ‘Zo zijn die miljonairs!’ zegt Roth:

‘Brengen ze ons naar de kleermaker, vergeten ze om voor ons bij die broek ook een jasje te kopen!’

Drie dagen later laat Zweig een jasje voor hem maken. ‘Hij is een genie als Verlaine, als Villon!’ zegt hij over zijn berooide vriend.

Tot 1933 reisde Roth als verslaggever voor Duitse kranten heel Europa door, van Duitsland naar de Balkan en Rusland. Er bestaat bijna geen betere waarnemer van zijn tijd dan hij. Dat laatste blijkt ook uit het door Els Snick samengestelde Hotelmens. Reportages en brieven, een heerlijk boekje, waarin behalve vermakelijke (bedel)brieven aan Stefan Zweig mooie portretten staan van een hotelstaf, van portier tot kok, van directeur tot tennisleraar. Roth toont hier zijn onovertroffen gevoel voor menselijkheid. Het doet je hem al zijn literaire slordigheden vergeven.

De eerste reportage uit het mooi geïllustreerde boekje is al om van te smullen. Roth beschrijft in 1921 hoe hij zich in de lobby van een deftig hotel een uur lang miljonair voelt door alle rijke buitenlandse gasten te bestuderen. De hele wereld komt langs, in alle denkbare uitwassen.

Knap is ook zijn verslag uit het Rome van Mussolini, waarin hij het fascisme en zijn verraderscultuur fileert. Maar een van de ontroerendste reportages is ‘In memoriam voor de hotelportier’, over een hotel dat zijn portier heeft vervangen door een helpdesk. En dan lees je weer zo’n zin als

‘Met hem verdwijnt een tijdperk in het grote, hongerige graf van de veranderende menselijke beschaving.’

Het is een liefdesverklaring van iemand die het leven in een hotel prefereert boven een eigen huis, alsof het hotelpersoneel zijn enige familie is.

In het nieuwste nummer van literair tijdschrift De Parelduiker (2014/2) voegt Snick nog een interessante geschiedenis aan Roths biografie toe, in een artikel waarin ze de uitgeefgeschiedenis belicht van Roths succesroman Radetzkymarsch na zijn dood. Het boek was sinds 1933 niet meer verkrijgbaar. Dankzij inspanningen van Roths vrienden, verscheen er in 1940 een Nederlandse vertaling bij Forum.

Met de eerste Nederlandse vertaling van Roths roman Flucht ohne Ende (1927), (Vlucht zonder einde, Atlas Contact) krijgen Roths bewonderaars in dit herdenkingsjaar een mooi cadeau, ook dankzij het boeiende voorwoord van Arnon Grunberg, die in zijn ironie en stijl sterk door Roth lijkt te zijn beïnvloed.

Hoofdpersoon Franz Tunda, eerste luitenant in het Oostenrijkse leger, wordt in 1916 door de Russen krijgsgevangen gemaakt en belandt in een gevangenenkamp in Siberië. Hij ontsnapt en houdt zich schuil bij een Pool op een afgelegen hoeve bij Irkoetsk, tot hij in het voorjaar van 1919 bij toeval te horen krijgt dat de oorlog is afgelopen. Hij besluit naar Oostenrijk en zijn verloofde Irene terug te keren.

‘Van haar wist de eerste luitenant niet meer dan dat ze mooi, schrander, rijk en blond was. Die vier eigenschappen hadden haar geschikt gemaakt om zijn verloofde te worden.’

Oude foto

Tunda weet nog niet dat het Habsburgse keizerrijk niet meer bestaat en dat Irene met een ander is getrouwd. In zijn jas heeft hij zijn papieren en een oude foto van zijn verloofde genaaid.

Te voet en te paard gaat hij op reis. Maar in de Oekraïne valt hij in handen van de bolsjewieken. Zijn leven neemt een nieuwe wending, als hij een verhouding krijgt met een stoer bolsjewiekenmeisje. Roth zet haar in één streek neer: ‘Ze bleef alert en controleerde haar geneugten zoals een wachtpost de geluiden van de nacht.’ Tunda wordt revolutionair door de liefde.

Na afloop van de revolutie, trekt hij naar Moskou. Roth zet die postrevolutionaire wereld briljant neer:

‘Nu maakte de orde van de dag zich meester van die grote, rode dood, hij werd een heel gewone dood, die als een bedelaar van huis naar huis sloop en zijn doden als aalmoezen ophaalde. Ze werden begraven in rode kisten, zangverenigingen strooiden coupletten in de graven, de levenden gingen terug en namen weer plaats op kantoor, maakten registers en statistieken, inschrijfformulieren voor nieuwe leden en kritische beoordelingen van uitgeslotenen.’

Tunda belandt daarna in Bakoe, waar hij met een Kaukasisch meisje samenleeft. Hier krijgt hij een verhouding van een middag met een Franse toeriste, die hem vertelt over de etalages in de Rue de la Paix in Parijs. Het doet hem opnieuw verlangen naar Irene en daarom vat hij moed om zijn bestaan in de Sovjet-Unie te beëindigen en terug te keren naar Oostenrijk.

En dan verandert ineens het vertelperspectief tijdelijk van de derde naar de eerste persoon, in de vorm van een dagboekfragment van Tunda en een lange bedelbrief van zijn hand aan zijn vriend Joseph Roth, die zich hier voor het eerst als verteller voorstelt en in zijn medelijden met Tunda aan Stefan Zweig doet denken.

Tunda zwerft nu van het ene naar het andere adres zijn ondergang tegemoet: van het huis van zijn broer, een beroemde dirigent in een stad aan de Rijn, naar het Parijs van zijn Franse minnares en zijn verloofde Irene. In die belevenissen wemelt het van de mooie zinnen en rake waarnemingen van het Duitsland van het interbellum, dat Roth een gemaskerd bal noemt van mensen die geen oog hebben voor de werkelijkheid.

Tunda eindigt in een hotel in Parijs. In die stad bereikt de roman zijn dramatische climax. De laatste zin luidt:

‘Niemand op de wereld was zo overbodig als hij.’