Textiel

Zeven beloftes aan arme textielarbeiders - en wat ervan terechtkwam

Workers leave a building that houses garment factories on their lunch break in Dhaka, Bangladesh, on Monday, April 29. The factories produce clothing for export. Photo/Jeff Holt
Workers leave a building that houses garment factories on their lunch break in Dhaka, Bangladesh, on Monday, April 29. The factories produce clothing for export. Photo/Jeff Holt Foto Bloomberg

Jouw T-shirt is te goedkoop. Dat vindt minister Lilianne Ploumen van Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Arbeiders in kledingfabrieken in Bangladesh verdienen omgerekend zo’n 15 eurocent per uur. Hun werk is bovendien ontzettend gevaarlijk.

De minister is vijf dagen in Pakistan en Bangladesh. Ze pleit daar voor betere arbeidsomstandigheden in textielfabrieken. De aanleiding: de fabrieksramp in Bangladesh waarbij vorig jaar zo’n 1.130 mensen omkwamen.

De instorting van de kledingfabriek Rana Plaza in Bangladesh staat niet op zichzelf. Het wemelt in Bangladesh van de gammele fabrieken, waar goedkope kleding wordt gemaakt voor vooral westerse consumenten.

Buitenlandse firma’s en regeringen beloofden vorig jaar allerlei hulp voor de slachtoffers van Rana Plaza. Ze wilden de veiligheid in de kledingfabrieken verbeteren. Ook de Bengaalse regering en de fabriekseigenaren kwamen met plannen. Maar wat is daar van terechtgekomen?

1. Fabrieken kochten brandblussers. Maar sprinklers vinden ze te duur

De eigenaren van veel fabrieken – hoeveel is door de gebrekkige inspecties nog moeilijk vast te stellen – hebben na ‘Rana Plaza’ en enkele grote fabrieksbranden de veiligheid verbeterd. Er zijn blusapparaten gekomen en ze stapelen vluchtwegen minder vaak vol met kleding. Ook zijn er rampenoefeningen. Maar de meeste fabrieken schrikken terug voor de aanleg van sprinklerinstallaties: te duur, vinden ze.

2. Westerse bedrijven controleren de veiligheid in de fabrieken

Mede onder druk van de publieke opinie hebben ruim 150 grote bedrijven, vooral uit West-Europa, zich verenigd in een organisatie die zich ‘Accord‘ noemt. Daartoe behoren C&A, Hema, de Bijenkorf, Zeeman, H&M en Primark. Ze hebben zich verplicht bepaalde veiligheidsnormen te handhaven bij de fabrieken waarmee ze zaken doen.

Onder supervisie van een VN-commissie inspecteert Accord de veiligheid van gebouwen. Acht fabrieken zijn na een kritisch rapport gesloten. Komende herfst hoopt Accord vijftienhonderd fabrieken te hebben geïnspecteerd, een jaar later nog eens tweeduizend.

3. Fabrieksarbeiders krijgen meer loon. Maar veel is het niet

De 4,2 miljoen arbeiders in de ruim 5.000 fabrieken in Bangladesh krijgen meer loon. Het minimumloon dat tot eind vorig jaar slechts 28,50 euro per maand bedroeg, is verhoogd tot 50,30 euro. Die verhoging oogt forser dan ze is. De ervaring wijst uit dat huisbazen de huren na een loonsverhoging sterk verhogen.

4. Consumenten blijven voor de laagste prijs gaan

De consument wil nog steeds goedkope kleren. Ze hebben ook weinig keus om verantwoord te kopen: er is (nog) geen keurmerk voor Bengaalse kleding die onder sociaal verantwoorde omstandigheden is gemaakt.

Wel hebben consumenten indirect invloed. Kledingfirma’s weten dat klanten producten kunnen laten liggen na negatieve publiciteit over slechte arbeidsomstandigheden in het productieland.

5. Westerse overheden dreigen met sancties. Maar alleen Amerika doet iets

Invoerheffingen zijn het belangrijkste pressiemiddel van westerse overheden om de Bengaalse overheid en de fabriekseigenaren te bewegen de veiligheid en de arbeidsomstandigheden te verbeteren. De VS hebben bij wijze van sanctie hun gunstige invoertarief ingetrokken, een gevoelige slag voor de Bengaalse kledingindustrie.

De EU heeft daar ook mee gedreigd maar Bangladesh het voordeel van de twijfel gegeven. De buitenlandse overheden monitoren, samen met de ILO en andere organisaties, de veiligheid. Probleem is wel dat sommige Bengaalse bedrijven, als het even kan, liever zaken doen met China of Japan, die minder eisen stellen op dit terrein.

6. De regering van Bangladesh maakte nieuwe regels. De handhaving is nog een probleem

De regering van Bangladesh besefte dat na ‘Rana Plaza’ snelle actie was geboden. Kleding is goed voor 80 procent van de export en dat mocht niet in gevaar komen. Er is geld gekomen voor 575 inspecteurs (die zullen opereren naast de eigen inspecteurs van westerse bedrijven). Eerst waren er slechts vijftig (corrupte) inspecteurs.

De regering is echter beter in regelgeving dan handhaving. Een probleem is dat ze vanouds nauwe banden onderhoudt met rijke fabrieksbazen en die niet gauw zal lastig vallen. De overheid is vrij corrupt.

7. De slachtoffers van Rana Plaza krijgen geld. Maar velen wachten daar nog op

De slachtoffers van de Rana Plaza-ramp en hun nabestaanden zijn er bekaaid van afgekomen. Er is een compensatiefonds opgericht, waarvoor zo’n 40 miljoen dollar (30 mln euro) nodig is. Maar volgens Clean Clothes, een organisatie die campagne voert voor meer veiligheid en betere lonen in de kledingindustrie, is er nog maar 15 miljoen dollar binnen.

Veel overlevenden, vaak kostwinners, zijn invalide geworden en kunnen niet meer werken. Ook hebben ze vaak hoge medische kosten. Velen werden afgescheept met een paar honderd dollar.