Waar laat je je handen als je geen geweer vast hebt?

Phil Klay schreef een fenomenale en bitter stemmende roman over veteranen van de Irakoorlog in twaalf fictieve portretten // Het beste boek dat ooit over die oorlog is geschreven, jubelde The New York Times

Oorlogsverhalen gaat over veteranen en de Irakoorlog. Auteur Phil Klay diende zelf bij het US Marine Corps.
Oorlogsverhalen gaat over veteranen en de Irakoorlog. Auteur Phil Klay diende zelf bij het US Marine Corps. Foto Hollandse Hoogte

Het zal je maar gebeuren, als debuterend auteur: The New York Times prijst je boek aan als ‘het beste wat ooit is geschreven over wat oorlog met mensen kan doen’. Het maakt dat lezers aan je boek beginnen met hoger gespannen verwachtingen dan aan recente Amerikaanse literatuur van Tim O’Brien, Kevin Powers of Karl Marlantes, en aan wereldliteratuur – van Isaak Babel tot Anne Frank. Zulke verwachtingen zijn niet gemakkelijk in te lossen. De Nederlandse uitgever heeft dan ook een beetje gejokt met dit citaat op de omslag: ‘The New York Times had het niet over ‘war’ maar ‘the war’, de oorlog in Irak dus.

De dagelijkse gruwel

Laat het maar meteen gezegd zijn; over die oorlog heeft Klay, die zelf diende bij het US Marine Corps, een fenomenaal, aangrijpend en bitter stemmend boek geschreven. In twaalf verhalen, telkens vanuit een ander perspectief, schetst hij een beeld van de dagelijkse gruwel in Irak nadat het land, met leugens gerechtvaardigd, werd binnengevallen. Ook behandelt hij de absurde disconnectie die de Amerikaanse militairen na terugkeer ervaren. Als helden worden ze onthaald, zoals de soldaat in het openingsverhaal die er slecht aan kan wennen dat hij, winkelend met zijn vrouw, geen geweer in zijn handen heeft. ‘Ik wist niet waar ik mijn handen moest laten. Ik stopte ze eerst in mijn zakken, haalde ze er weer uit en deed ze over elkaar, en liet ze vervolgens slap langs mijn lichaam hangen […] In plaats daarvan beland je in een American Eagle Outfitters. Je vrouw geeft je wat kleren om te passen en je loopt een heel klein kleedhokje in. Je doet de deur dicht, en je wil hem niet meer opendoen.’

Dat gevoel van vervreemding is wrang maar verbleekt bij het totale gevoel van misplaatstheid, het volledige gebrek aan kennis van de omgeving waar de Amerikaanse militairen heen worden gestuurd, veel te zwaar bewapend, en tot aan hun haarvaten gevoed met de overtuiging dat ze daar iets goeds voor hun land doen.

Wat Irak betreft: wie kan het wat schelen? ‘Het enige wat ik wil is Irakezen doden’, zegt een korporaal die bij de aalmoezenier komt. ‘Voor de rest is het gewoon een kwestie van jezelf verdoven tot je weer wat mag doen.’ Elke omgelegde Irakees, burger of opstandeling, vrouw of kind, verhoogt je status en de kans op een hogere onderscheiding, zo blijkt.

In het meest absurde verhaal in dit boek, ‘Geld als wapensysteem’, is de verteller een diplomaat die betrokken is bij wederopbouwinitiatieven. In het team waarmee hij moet werken zit ook Cindy, die een landbouwproject voor weduwen aan het opzetten is. ‘Weet ze iets van landbouw?’ ‘Nee, maar ik heb haar leren googelen’, antwoordt Bob, die haar inwijdt. ‘De landbouw in het land is ingestort toen wij de staatsbedrijven opdoekten’, vervolgt Bob: ‘We hervormden het ministerie van Landbouw op basis van vrije marktprincipes, maar de onzichtbare hand van de markt begon bermbommen te leggen.’

Uiterst trefzeker

De verteller ontdekt dat een door de Amerikanen gebouwde waterzuiveringsinstallatie nooit is gebruikt omdat de verkeerde pijpen zijn aangelegd: het water zal met een veel te hoge druk gaan stromen en alle wc’s, wastafels en kranen in de omgeving doen ontploffen. Zijn aandeel in de opbouw zal bestaan uit het distribueren van vijftig honkbaltenues voor Iraakse jongens, geschonken door de rijke ‘matrassenkoning van Noord-Kansas’ die zeker weet dat het belangrijkste instituut waar het in Irak aan ontbreekt het honkbalspel is. De matrassenkoning wil ook foto’s, als bewijs dat de tenues gebruikt worden. Die krijgt hij.

Klay is ook elders uiterst trefzeker in de dialogen, het oproepen van de taal van de militairen en de Amerikaanse burgers. De bundel ontleent zijn kracht aan de heftigheid van de gebeurtenissen en aan de verschillende manieren waarop daarmee wordt omgegaan. Klay heeft er goed aan gedaan bij het registreren van die heftigheid te kiezen voor een kalme, soms bijna vlakke, waarnemende stijl. Dat maakt dat veel vertellers onderling snel inwisselbaar lijken. Hoewel alle verhalen vanuit een ander perspectief zijn geschreven, beklijven ze als één lang relaas, een relaas van gruwel, zinloosheid, afstomping, ontmenselijking.

In een van de verhalen komt een tolk aan het woord die voor de oorlog hoogleraar was, dus ‘vóór jullie kwamen en dit land kapotmaakten […] en op een presenteerblaadje aanboden aan Iran.’ Dat is wel een heel korte samenvatting, maar helaas niet ver bezijden de waarheid.

Literatuur als deze heeft, op haar best, ook de kracht mensen tot inzichten te brengen die ze niet uit briefings of officiële rapportages halen. Misschien, heel misschien neemt ergens in Texas een al wat ouder wordende amateurschilder Klays verhalen ter hand. En misschien vraagt hij zich wel af of hij toch, ergens, in zijn leven iets verkeerd heeft gedaan.